Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

278

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

haus-concerten. In een stuk, verschenen in „De Avondpost" van 8 September heb ik reeds mijn meening over het gevalSchneevoigt te kennen gegeven. In „Caecilia en Muziekcollege", welk orgaan zich hoofdzakelijk richt tot muzikaal Holland, wensch ik er dieper op in te gaan, omdat ik in dezen geheel alleen sta (althans oogenschijnlijk) en het toch niet aangaat, dat eenige vooraanstaande personen en een enkeling in dienst van dezen, door verkeerde voorstelling der feiten, ondergeteekende voor een leugenaar laten doorgaan. Want wat moet men ten slotte wel denken van mijn protest tegen de huldiging (in den vorm, zooals zij heeft plaats gehad) van den jubileerenden dirigent, na alles wat men in de bladen en in het z.g. „Gedenk-Album" heeft kunnen lezen. Niet zonder tegenzin zie ik mij verplicht mij in deze kwestie te moeten kanten tegen personen, voor wie ik steeds den meesten eerbied aan den dag heb gelegd, maar even goed als zij geen rekenschap hebben gehouden met de juistheid der feiten, heb ik het recht te trachten de feiten in het ware licht te plaatsen, waarmede tevens mijn standpunt in het geval-Schneevoigt verklaard zal zijn. Laat ik in volgorde te werk gaan. 1°. Voor het jubileum van Prof. Schneevoigt werd een uitgebreid comité gevormd. In het eere-comité hadden o.m. zitting genomen Z.E. Mr. M. A. M. Waszink, Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en Dr. W. W. van der Meulen, Wethouder van Onderwijs, in het dagelijksch comité o.m. Dr. Johan Wagenaar, directeur van het Kon. Conservatorium (voorzitter), Jhr. H. Loudon en Dr. Peter van Anrooy, resp. voorzitter en directeur van het Residentie-orkest, in het uitvoerend comité o.m. de heele Haagsche pers, uitgezonderd ondergeteekende, die geweigerd had. Een comité, saamgesteld uit vooraanstaande politici, kunstenaars en intellectueelen kan niet anders gelden dan een persoonlijkheid met

buitengewone groote gaven of aan wien ons land veel, zeer veel te danken heeft. Zoo zou men tenminste denken.

2°. Uit de toespraak van Dr. Johan Wagenaar vernemen wij, dat Prof. Schneevoigt veel heeft gedaan voor de Ned. toonkunst en „dat in de programma's der verstreken jaren men meermalen de namen ontmoet van Ned. componisten, o.a. Schafer, Röntgen, van Anrooy, Koeberg, Diepenbrock, Landré, Voormolen, v. d. Wall, Ruygrok en Wagenaar."

3°. In het „Gedenk-Album" wordt Prof. Schneevoigt voorgesteld als een propagandist van Ned. muziek in het buitenland, die zelfs in Stockholm Hollandsche avonden heeft gegeven.

Laten wij ons bij deze drie punten houden en zien wat de heer Schneevoigt in werkelijkheid voor de Ned. toonkunst heeft gedaan. Toen hij in 1919 de leiding der Scheveningsche concerten op zich nam, kon hij de Hollandsche orkestwerken, voor het meerendeel niet in druk, moeilijk kennen. Maar drie jaar later, een tijdsverloop waarin de heer Schneevoigt toch wel de gelegenheid had kunnen vinden kennis te nemen van de Ned. muziek was de toestand nog van dien aard, dat de heer Wouter Hutschenruyter, die een leven van nobelen strijd voor de Ned. toonkunst achter zich heeft, een protest liet hooren in het „Vaderland" (September 1921).

Vóór- en tegen-geschrijf had ten gevolge, dat ten slotte de directie der Maatschappij Zeebad Scheveningen in een ingezonden stuk in het „Vaderland" (30 Sept. 1921) o.m. schreef: „Wij verklaren dan bij dezen, dat wij de programma's van onze concerten in overleg met den dirigent wenschen in te richten, zooals ons goeddunkt en niet van plan zijn ons daarin te laten leiden door invloeden van buitenaf". Duidelijker kon het niet: dat „overleg met den dirigent" had dus geleid tot schittering van afwezigheid van Ned. werken

Sluiten