Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

244

BOEKBEOORDEELING.

De Redactie verzocht mij een beoordeeling van het,, Ver„slag (vervolg) der commissie belast met het onderzoek naar „de positie der officieren van gezondheid, benoemd door het „Hoofdbestuur l) ingevolge het besluit van de 6jst" algemeene „vergadering te 's-Gravenhage van 10 Juli ipi2."

Reeds in 1913, den 19 April, was het eerste deel van het verslag der Commissie voornoemd, handelend over de positie der officieren van gezondheid der Landmacht bekend gemaakt; het vervolg handelt uitsluitend over de positie van de officieren van gezondheid der Zeemacht en verscheen als bijlage van het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde 1914, Eerste helft No. 15.

Dit vervolg werd voornamelijk opgebouwd uit de Jantwoorden op vragen gericht tot officieren van gez. en eenige oud-officieren van gezondheid der Zeemacht. Het grootste deel van hen hebben cle vragen beantwoord „toch moet", zegt het verslag, „erkend worden dat er vooral onder de „ouderen eenigen waren, clie meenden dat een onderzoek „als dit niet op den weg lag der maatschappij en die op „grond daarvan de door de Commissie aangeboden vragenlijst niet hebben beantwoord. Zij waren van meening dat „eerst wanneer, evenals bij de Landmacht, het volgen van „den hiërarchischen weg niet tot eenig resultaat had geleid, „misschien het oogenblik gekomen was de hulp der maatschappij in te roepen".

Nu moet men echter in aanmerking nemen dat de off. v. gez. der L. in de Militair geneeskundige vereeniging een Instituut hebben dat collectief hunne belangen kan behartigen. Deze vereeniging is, naar ik meen, niet voor cle off. v. gez. d. Z. gesloten doch, waarschijnlijk door hun zwervend leven en excentrische standplaatsen, hebben zij zich niet, of nagenoeg niet daarbij aangesloten.

Welke hiërarchische weg stond nu den off. v. gez. der Z. open? Daar de wenschen van den éénling niet veel gewicht in de schaal leggen, wel geen andere dan dat één van hen zijn kameraden bij rondschrijven hun meening vroeg over eenige punten. Het is echter begrijpelijk dat men er niet licht toe overgaat daartoe het initiatief te nemen.

Toen clan ook de wenschelijkheid van een „Maatschappijonderzoek" naar cle positie van de off. v. gez. d. L. overwogen werd, lag het voor de hand hetzelfde te doen voor de Zeemacht. Langs dezen weg wenschen en grieven kenbaar te maken, dunkt mij in vele opzichten meer gewenscht dan

l) Van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst.

Sluiten