Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORBEELD VAN SCIIOOÏSTAFELBE REKENING.

317

Hieruit volgt voor de windsnelheid in de richting van de baan:

w — 1.6 cos. ioo° = — 0.3 M. w X t = 18.77 X (— 0.3) = — 6 M. X = 5860 M. A V0 = w cos. cp = — 0.3.

V0 = 6l6.2

— iv sin. w

A cp = . f = o'5

V0 sin. 1

cp == I2°53'5

sin. 2 cp

——= 0.00007423 X/Q = 4542

C = A/An Ct = 1.320

sin. 2 cp

= O.3296

X/C = 4506 (V„ = 620)

X = 5947

Bij drie verschillende schootsverheden zijn nu drie waarden van C bepaald.

In eene grafische voorstelling kan men dan de waarde van C vinden b.v. om de 100 M.

Voor de verdere berekening zijn bekend:

V0 = 620 M. en de coëfficiënt C voor verschillende schootsverheden.

De schootstafêl voor het kn. v. 7.5 cM. no. 4 is berekend om de 100 M. Men kan echter ook voor een minder aantal drachten de verschillende gegevens berekenen en daarna door grafische interpolatie de benoodigde gegevens voor de invulling der schootstafêl bepalen.

Voor de berekening der verschillende kolommen van de schootstafêl bezigt men de volgende wijze van werken:

Bereken voor de gewenschte drachten de waarde van X/C.

In de tafels van FASELLA vindt men dan: in tafel II: ƒ = sin. 2 cp/C of in tafel III: fY = sin. 2 cpjX en hieruit dus den uitvaartshoek (<p); in tafel IV : f^ — tg. cp/tg. co, dus co (invalshoek) in tafel I: ue = Ve cos. co/cos. cp, dus Ve (eindsnelheid). in tafel V: f%=t cos. <pjC, waaruit t (vluchttijd).

De uitvaartshoek moet door toepassing van verheffingshoek en parallax worden herleid tot richthoek.

Sluiten