Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEGROOTING VAN UITGAVEN V. NED.-INDIË V. H. DIENSTJAAR I914. 127

laatstgenoemden is uitgevallen. Zoo ja, dan zou men gaarne dienaangaande nadere inlichtingen ontvangen.

Voorts vroeg men, naar aanleiding van de .laatste zinsnede op bladz. 2 der Memorie van Toelichting, of de Minister, die de inlandsche schepelingen niet gelijkwaardig acht aan de Europeesche, de inlanders dan wèl, zonder onderscheid te maken naar hun landaard, onderling gelijkwaardig acht.

Er waren leden, die betwijfelden of het gewenscht is inlanders op de vloot meer en meer met de Europeanen in verkeer te brengen. Zij vreesden, dat de verkeerde geest, die veelal onder de Europeesche schepelingen valt waar te nemen, tot schade van het gezag in de Koloniën, op de inlanders zou overgaan.

Anderen achtten nauwere aanraking tusschen inlanders en Europeanen minder gewenscht, wijl eerstbedoelden zich soms reeds op zeer jeugdigen leeftijd aan excessen overgeven, welke, moreel aanstekelijk, het gevaar van toeneming der geslachtsziekten op de vloot verhoogen.

Sommige leden, die aan de door de Regeering voorgenomen maatregelen groot gewicht hechtten met het oog op de plannen ten aanzien der Indische defensie, hadden gaarne in de Memorie van Toelichting eenige nadere aanduiding aangetroffen omtrent het verband tusschen deze voorstellen en bedoelde plannen. Waar het in de bedoeling ligt jaarlijks slechts 165 opgeleide inlandsche schepelingen af te leveren, zal het verscheidene jaren duren voordat men zich een definitief oordeel zal kunnen vormen omtrent de uitkomsten van de nieuwe regeling. Ligt het in het voornemen het daarheen te leiden, dat het overgroot deel der bemanning van de vloot in Indië uit inlanders zal zijn samengesteld ?

Andere leden merkten hierbij op, dat men het nimmer zal kunnen brengen tot een voldoende geschoold en in aantal voldoende sterk inlandsch personeel, zeer zeker niet voor een belangrijk aantal „Dreadnoughts", waarvan de bouw wellicht aanstaande is. Bij de tegenwoordige inrichting van de vloot in Indië becijfert de Minister eene benoodigde sterkte van 1615 koppen, derhalve 286 meer dan het aantal, waarop, blijkens bladz. 4 der Memorie van Toelichting, bij de Indische begrooting voor 1914 is gerekend, of liever 368 meer dan het in bijlage B der Memorie van Toelichting genoemde getal van 1247, waarmede het in vergelijking is te brengen. Deze leden begrepen niet, hoe de Regeering eene jaarlijksch aantal van 165 opgeleide inlanders kon verwachten. Naar hun oordeel kon hetgeen omtrent de bruikbaarheid van dit personeel van deskundige zijde wordt vernomen, deze goede verwachtingen niet sterken. Gewezen werd op de brochure van den heer S. P. L'HONORÉ NABER: „Een goed woord voor het mindere marine-personeel", waarin op bladz. 9 een geenszins gunstig oordeel wordt geuit. Hun goede reputatie wordt onverdiend genoemd; zij worden achterlijk geheeten en ongeschikt voor den dienst; hunne gunstige reputatie schijnt eer op hunne gewilligheid dan op hunne geschiktheid te steunen.

Gewezen werd ook op het oordcel van den commandant der zeemacht in Nederlandsch-lndië, vermeld op bladz. 273 van het Jaarboek der Koninklijke Marine 1912—1913, betreffende de proef op Hr. Ms. „Koetei" genomen om inlanders tot oorlogsmatroos op te leiden. Men leest daar: „In totaal komen in aanmerking om verder gevormd te worden tot kanonnier 10 en tot seiner 5 inlandsche matrozen. De overige inlandsche schepelingen, die aan boord van Hr. Ms. „Koetei" aan dc opleidinghebben deelgenomen, kunnen door hunne gebrekkige geestelijke ontwikkeling niet voor eenigen specialen dienst in aanmerking worden gebracht."

Hoe zal nu, waar de zaken zoo staan, met eenigen grond kunnen worden verwacht, dat de pogingen der Regeering zullen slagen? Hoe kan, terwijl van deskundige zijde de bruikbaarheid der inlanders door

Sluiten