Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

132 wijziging en verhooging v. h. tweede hoofdstuk van de

Aangezien de tegenwoordige voorstellen in geenerlei verband staan tot de plannen ten aanzien van de verdediging van Nederlandsch-lndië, was het ook niet mogelijk van zulk een verband in cle Memorie van Toelichting te doen blijken. De redenen die tot deze voorstellen hebben geleid, zijn vermeld in de 2de alinea dier Memorie.

Het is den ondergeteekende niet recht duidelijk waarom het verscheidene jaren zou moeten duren, voordat men zich een beslissend oordeel omtrent de uitkomsten der nieuwe regeling zou kunnen vormen. Het wil hem voorkomen, dat dit reeds zal kunnen geschieden nadat de eerste door de kweekschool afgeleverde schepelingen eenigen tijd op de vloot zullen hebben gediend ; dan zal kunnen blijken, of de gedachte organisatie bij den opzet waarvan rekening is gehouden met de bij de voorloopige opleiding opgedane ondervinding, in eenig opzicht wijziging behoeft.

Of het in dc toekomst mogelijk zal zijn aan het inlandsche element op de vloot nog verdere uitbreiding te geven, dan thans wordt voorgesteld, is eene vraag waarop voor het oogenblik nog niet kan worden geantwoord. Indien later mocht blijken, dat inlandsche matrozen ook aan boord van de groote schepen, dus in samenwerking niet Europeanen, kunnen worden gebruikt, hetgeen thans nog niet mogelijk wordt geacht, zal uit den aard der zaak aan uitbreiding moeten worden gedacht. In dit verband meent de ondergeteekende thans niet in beschouwing te behoeven te treden, of eventueel een belangrijk aantal „dreadnoughts" met een geschoold inlandsch personeel zou zijn te bemannen.

De opvoering van de sterkte van het inlandsche personeel tot 1615 koppen zal geleidelijk geschieden, door in de eerste jaren een grooter aantal schepelingen in opleiding te nemen; is die sterkte echter eenmaal bereikt, dan zullen, in verband met het vermoedelijk verloop, jaarlijks ongeveer 165 schepelingen in opleiding moeten worden genomen.

Verwacht wordt, dat de jaarlijks benoodigde aanvulling, met de thans geboden vooruitzichten voor cle inlandsche schepelingen, en de betere regeling van de aanneming, zonder bezwaar zal kunnen worden verkregen.

Aangezien eenige leden de bruikbaarheid van de inlanders op de vloot in twijfel hebben getrokken op grond van het ongunstig oordeel, dat op bladz. 9 van de brochure van den heer S. P. e'honoré Naber : „Een goed woord voor het minder marinepersoneel" wordt geveld, over de Indische „paupers", doet de ondergeteekende opmerken, dat met deze „paupers" geen inlanders bedoeld zijn, doch Indo-Europeanen, die tot voor enkele jaren uit Indië naar de Kweekschool voor de Zeevaart te Leiden werden gezonden, om hier te lande voor den zeedienst te worden opgeleid.

Het op bladz. 273 van het Jaarboek der Koninklijke Marine 1912— 1913 vermelde oordeel van den commandant der zeemacht betreffende de aan boord van de „Koetei" genomen proef, lijkt, oppervlakkig beschouwd, ongunstig; maar men vergete bij de beoordeeling der cijfers niet, dat het hier geen opleiding als de thans voorgenomene gold, doch slechts een onderzoek ter beantwoording van de vraag, of het mogelijk was om inlanders voor de verschillende betrekkingen op de vloot geschikt te maken. De daarbij verkregen uitkomsten kunnen zelfs gunstig worden genoemd, als men rekening houdt met de omstandigheid, dat het theoretisch onderwijs, waaronder ook het schoolonderwijs, toen nog slechts gedurende betrekkelijk korten tijd was gegeven.

Dc meening, als zou het in de bedoeling liggen om 402 Europeesche schepelingen door slechts 368 inlanders te vervangen, berust op een misverstand.

Het flottieljevaartuig, dat aan de opleiding zal worden toegevoegd, zal grootendeels met inlanders in opleiding worden bemand, en dezen

Sluiten