Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

258

opleiding onderofficieren en matrozen.

bezwaren dezer leden kwamen vooral hierop neer, dat zij het voorstel des Ministers volstrekt ongenoegzaam achtten om tot een behoorlijke oplossing te komen.

Wat de Minister voor de toekomst wenscht, is in wezen niets anders dan wat nu bestaat, n.1. het bemannen der vloot, ook voor zooveel de gewone schepelingen betreft, door vrijwilligers.

De leden hier aan het woord hadden gehoopt, dat nu eindelijk eens gebroken zou worden met een stelsel, dat reeds vele jaren achtereen geleid had tot den meest onbevredigenden toestand, die zich denken laat. Zienderoogen ging het getal dergenen, die zich voor den zeedienst aanmeldden, achteruit en de geest onder het personeel was slecht.

Men achtte het tegenover dezen Minister, die de vloot volkomen kent, onnoodig deze meening met gegevens te staven, doch men vreesde geen tegenspraak, indien men zeide, dat de strijdwaarde der vloot gevaar liep geheel te loor te gaan èn door het gebrek aan geoefend personeel èn door den geest, die het aanwezige personeel bezielde.

Deze leden zagen de eenige uitkomst in de invoering eener militiemarine. Zij meenden, dat wat de Minister nu voorstelt, een vruchtelooze poging zal blijken om het oude stelsel nog te kunnen behouden en de invoering eener militie-marine te ontgaan.

Het valt niet in te zien, waarom de vroeger ook reeds beproefde en toen mislukte maatregelen van gelijksoortigen aard thans kans van slagen zouden hebben. De eindelooze proefnemingen op dit gebied behoorden, naar het gevoelen dezer leden, gestaakt te worden. Ze kunnen ook thans geen succes hebben, omdat het verschijnsel van afnemenden lust voor vrijwilligen dienst algemeen is. Het bestaat niet alleen bij de marine, maar ook bij het leger.

Nauwelijks een kwart eeuw geleden had men zelfs bij de infanteriecompagnieën nog een vrij groot aantal vrijwilligers. Later beperkte zich dit tot de bereden wapens, doch ook daar hield de toeloop van lieverlede op en is men thans zoo goed als geheel op de militie aangewezen. En Nederland staat hierin volstrekt niet op zichzelf. Op welken grond onderstelt men dan, zoo vroegen deze leden, dat bij de marine aan een stervend instituut nog weer leven zou kunnen worden ingeblazen ? Waarop berusten 's Ministers verwachtingen, dat men voortaan wel matrozen met een 41/8-jarig actief dienstverband zal kunnen krijgen, terwijl men tegenwoordig, onder eenigszins andere voorwaarden, geen vrijwilligers krijgt; flinke spaarpremiën zijn, zoo meende men, ook vroeger wel uitgeloofd, doch zonder resultaat.

Dc bedoelde leden koesterden de zeer ernstige vrees, dat zulke verwachtingen op niets gegrond zullen blijken te zijn, maar dat men alleen te doen heeft met de hoop, dat het op deze manier misschien wel zal gaan.

Er waren leden, die hierin niets verkeerds zagen en meenden, dat men in ieder geval eerst alles moet beproeven alvorens tot de instelling eener militie-marine over te gaan, maar de eerstbedoelde leden waren van oordeel, dat bij een zoo ernstig vraagstuk als dat der landsverdediging, proefnemingen alleen dan geoorloofd waren, indien men aannemelijk kon maken, dat het voorgestelde waarschijnlijk slagen zou.

Elk betoog in die richting had men in de Memorie van Toelichting gemist, en zulk een betoog ware toch geen overdadige weelde geweest, waar het gold de handhaving van een instituut — zij het in eenigszins gewijzigden vorm — waarvan de ondeugdelijkheid in de laatste jaren zonneklaar aan den dag getreden was. De leden, die deze beschouwingen in het midden brachten, konden dan ook, tot hun leedwezen, tot geen andere conclusie komen, dan dat het instituut der vrijwilligers-matrozen met K. D. meer een middel zou blijken om de instelling der militie-

Sluiten