Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OPLEIDING ONDEROFFICIEREN EN MATROZEN.

2 59

marine nog wat te verschuiven, dan om tot een oplossing van het bemanningsvraagstuk te geraken.

De volstrekte onvermijdelijkheid eener militie-marine inziende, waren zij van oordeel, dat deze in 's lands belang hoe eer hoe beter behoorde te worden ingevoerd en betreurden zij het zeer, dat eene, naar hunne meening, op niets uitloopende proef die invoering vertragen zou.

Dit gevoelen omtrent de noodzakelijkheid eener militie-marine berustte wel in hoofdzaak, maar toch niet uitsluitend, op de moeilijkheid om het personeel op andere wijze voltallig te maken. Ook de omstandigheid, dat in de kringen der vrijwilligers hoe langer hoe meer het begrip ingang blijkt te vinden, dat de militaire dienst een beroep is als elk ander en dus in den strijd der maatschappelijke belangen betrokken kan worden, leidt er toe, dat het vrijwilligersstelsel moet worden afgeschaft. Deze begrippen en die welke in de militaire organisatie behooren te heerschen, sluiten elkander principieel uit. Zij kunnen niet beide in het militaire organisme bestaan en waar het onmogelijk blijkt dit toenemend bederf, in militairen zin gesproken, te weren, daar blijft geen andere weg open dan de vervulling van den dienst ter zee tot een door den Staat opgelegden plicht te maken, evengoed als dat met betrekking tot den dienst te land geschied is.

Aan deze beschouwingen sloot zich een betoog aan nopens het tijdstip waarop de voorgestelde hervorming zal worden ingevoerd. Er waren leden, die als hunne meening uitspraken, dat het bezwaarlijk was op dit oogenblik zich een goede voorstelling te maken van de wenschelijke organisatie van het vlootpersoneel. De samenstelling van dat personeel toch zal ten nauwste verband houden met het materieel, waaruit onze vloot in de toekomst zal bestaan.

Waar in de laatste jaren geen groote schepen meer zijn aangebouwd — «de Zeven Provinciën" werd reeds ruim 6 jaar geleden op stapel gezet en sinds dien is niet meer tot het bouwen van groot materieel besloten —, de bestaande zeegaande schepen grootendeels verouderd zijn en ten deele buiten dienst zullen moeten worden gesteld, zal over de samenstelling der vloot spoedig eene beslissing moeten vallen.

Blijven naar het gevoelen der Regeering groote schepen noodig, dan zullen ook matrozen in grooten getale noodig blijven, maar indien de in den tegenwoordigen oorlog opgedane ervaring eens tot een andere slotsom leiden mocht, met name ten aanzien der verdediging van Indië — wat toch niet geheel ondenkbaar ware, — dan zou het vlootpersoneel geheel anders moeten zijn saamgesteld dan de Minister bij het ontwerpen zijner voorstellen voor oogen had. Deze leden meenden dus, dat — in het licht der tegenwoordige gebeurtenissen en de daaruit wellicht te trekken lessen — de tijd voor eene reorganisatie van het personeel deivloot weinig geschikt moest worden geacht.

De in de andere Kamer door den Minister tegen een soortgelijke bedenking aangevoerde argumenten kwamen dezen leden weinig klemmend voor.

Andere leden, en wel die welke het pleit voerden voor de invoering cener militie-marine, verbonden aan cle laatste beschouwing nog deze opmerking, dat 's Ministers proefneming, onder deze tijdsomstandigheden ingevoerd, een zeer onjuist beeld van den werkelijken toestand geven zal. Naar 's Ministers eigen verklaring kan men thans practisch zooveel menschen krijgen als men hebben wil. Dit sterk toegenomen aanbod is echter uitsluitend een gevolg van de bijzondere omstandigheden waaronder wij thans leven, en indien cle Minister dus tijdelijk onder zijn nieuwe systeem een grooteren toeloop verkrijgt, dan zal dat voor cle deugdelijkheid in normale omstandigheden volstrekt niets bewijzen. Maar wel zal dit tijdelijk verschijnsel er toe bijdragen, clat valsche gerustheid

Sluiten