Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„bevorderingswet voor de zeemacht i902."

28 I

bevelhebbers geen voortdurende mutaties meer plaats hebben; anders zou men immers toch niet bereiken, wat men wenscht.

De geachte afgevaardigde heeft er te recht op gewezen, dat in het buitenland de matrozen den naam van het schip op het mutslint dragen, om daardoor de saamhoorigheid te doen uitkomen en gevoel op te wekken voor hun schip, dat een wereld op zich zelf is. Bij ons is dit ook wel eens ter sprake gekomen, maar men heeft het nooit durven toepassen, juist op grond van de vele mutaties.

Nu is de bedoeling van dit wetsontwerp, om er naar te streven, om op de varende schepen wisseling in het bevel niet binnen de twee jaren te doen plaats nebben. Dit zou reeds een enorme verbetering zijn.

Om mijn bezwaren tegen het bestaande stelsel te staven, wensch ik er nog op te wijzen, dat aan de afdeeling Personeel op het Departement van Marine een memorie van zeven jaar geleden voor den chef werd samengesteld, voor de gedragslijn waarnaar ten aanzien van de plaatsingen moest worden gestreefd. Nu is het mijns inziens een sprekend feit, dat daarop voorkomen betrekkingen welke als regel 4 en 3 jaren gecontinueerd worden en heel onderaan de lijst voor den duur der commandementen der varende schepen „een jaar" werd gesteld.

Dit is de toestand, die al jaren bij de marine bestaan heeft; de commandanten waren nooit zeker van hun bestaan, noch van hun toekomst.

Toen ik jong officier was, heeft men getracht verbetering in dien toestand te brengen door de bijzondere commandementstraktementen af te schaffen. Dit is voor de luitenants ter zee der iste klasse in 1901 geschied, maar In 1902 kwam de Bevorderingswet, die alles wat men daarmee heeft trachten te bereiken weder ten onderstboven heeft gezet.

Ik meen hiermede de voornaamste punten van hetgeen de geachte afgevaardigde uit Weststellingwerf ter sprake heeft gebracht beantwoord te hebben.

De geachte afgevaardigde kan er verzekerd van zijn, dat ik zooveel in mijn vermogen is in deze, ook door hem aangeprezen richting, werk en zal blijven werken.

De algemeene beraadslaging wordt gesloten.

De Voorzitter: Nadat de schriftelijke gedachtenwisseling gesloten was, is door de Regeering alsnog een wijziging gebracht in art. 1. Mag ik de Commissie van Rapporteurs verzoeken haar gevoelen dienaangaande mede te deelen ?

De heer Duymaer van Twist, voorzitter van de Commissie van Rapporteurs: Mijnheer de Voorzitter! In de toelichting tot de in art. 1 aangebrachte wijziging schrijft de Minister :

„Naar aanleiding van eene mondelinge opmerking van de Commissie van Rapporteurs is deze aanvulling wenschelijk gebleken."

De Commissie wenscht den Minister dank te brengen voor deze aanvulling, doch meent, dat daarmede nog niet in alle opzichten is voldaan aan de door haar gemaakte opmerking.

Aan het vierde lid van art. 10 is nu door den Minister alsnog toegevoegd :

„Mede kan van dezen eisch worden afgeweken ingeval tijdelijke onderbreking heeft plaats gehad en het bevel voor den duur dier onderbreking gevoerd werd door den eerste-officier."

Nu kan het geval zich blijven voordoen, dat de duur van de onderbreking zoolang is, dat de eerste-officier dien dienst niet meer waarneemt. In dat geval zou de voorgestelde wijziging geen nut hebben.

Sluiten