Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

101

rhythruische verscheidenheid die hij aan zijn werken weet te geven, is hij de evenknie der grootste componisten van zijn tijd. Bij hem vloeit de melodie altijd met een bevallige gemakkelijkheid, edel, majestueus en dikwijls melancoliek in de langzame bewegingen, luchtig en geestig in de snelle tempi. Sommige zijner finales zijn ongeloofelijk levendig en kernachtig. Wasilewski heeft wel beweerd dat Leclair zelden diepte van uitdrukking wist te bereiken, doch het is bekend dat deze schrijver een beetje zuur was aangelegd. Eitner daarentegen waardeert hem meer en juister, en verklaart dat de Adagio's van Leclair zulk een kracht van uitdrukking bezitten, dat velen hun waarde hebben behouden en nog onze ontroering kunnen opwekken.

Wasilewski maakt echter een uitzondering voor de Sonate, getiteld: Le Tombeau, de eenige die men vroeger kende, (die titel is er echter niet door Leclair zelf aan gegeven) en die hij als een meesterstuk roemt.

Wat het rhytmisch karakter zijner werken betreft heeft Leclair iets geheel nieuws weten te geven.

Hij zocht trouwens op alle manieren verscheidenheid in zijne muziek te brengen en zijne concerten getuigen er van hoeveel nieuwe combinaties hij door contrasten van het strijk-quartet met het koper en andere registers, wist te verkrijgen. Verschillende zijner vioolstukken konden volgens zijn aanwijzing op de „fiute allemande" of „flüte traversière" worden gespeeld.

* * *

Over de viool-techniek zooals men die in de werken van Leclair vindt valt eveneens een en ander te zeggen Die is toch zeer brillant en de componist hield er van moeielijkheid op moeielijkheid te stapelen. Hij heeft de viool-techniek werkelijk uitgebreid. Te oordeelen naar de viool-methode, in 1712 door Montclair uitgegeven, ging de hoogte niet verder dan C3., een Rubicon, die de meest vaardige spelers nauwelijks waagden te overschrijden en die den instrumentalisten van de Opéra, de fameuse waarschuwing in den mond gaf: „Gare 1'ut". Leclair brak daarmede en in zijn 8e Sonate van het vierde boek schrijft hij een octaaf-passage voor die loopt tot C*. Men noemde dat „jouer a la Leclair" en de toehoorders hadden heel wat tegen die hooge tonen, op de E-snaar, die zij „les sifflements le la chanterelle" noemden.

Dat hij groote moeielijkheden voor viool schreef, bewijst o. a. de volgende passage uit een zijner Sonates (VI):

Sluiten