Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

159

dan is 't een waar gevecht, een duwen, dringen, stompen, vliegen, om de eerste te zijn aan de kas. Het is geen wonder dat de met zóóveel ellende veroverde plaatsen dan ook ettelijke marken meer kosten. Met de Wagner voorstellingen hebben deze tooneelen altijd plaats, een gewoon mensch probeert zelfs niet eens meer daar zelf plaats te krijgen en kan thuis blijven indien hij niet, door een of andere relatie, een achterdeurtje kent. Met premières die zeer de aandacht trekken als van Strauss en Leoncavallo, is het natuurlijk nog sterker het o-eval en dan „lohnt sich das Geschaft" dubbel, want de opkoopers maken er schitterende zaken.

De Intendantuur doet wat zij kan om er tegen te strijden, het is echter een echte guerillaoorlog, en die zijn, zooals men weet, altijd de moeilijkste.

Op de volbeladen tafel van een bekend literator zag ik toevallig dezer dagen, een oud theaterkroniekje, en er in bladerende, viel mijn blik op een klacht van 150 jaar geleden over den billettenhandel: een ruim honderdvijftigjarigen oorlog dus reeds! En, eigenaardig genoeg, hij is juist ontstaan in de gezegende luilekkerlandstijden, toen de hoftheaters nog in 't geheel geen entre'es tegen betaling afgaven, doch de toeschouwers in den vollen zin als gasten des konings verschenen.

De billetten werden aan de families van officieren, beambten en burgers, die daartoe waardig gekeurd werden, gratis uitgedeeld, en aan de hotels ter beschikking gesteld van voorname vreemdelingen. Maar uit deze genereuse vrijgevigheid, ontwikkelde zich al spoedig, met verwoeden ijver, een nieuwe tak van industrie. De begunstigden, die vaak van hunne kaarten geen gebruik maakten, gaven ze anderen, meestal voor geld, — ook zonder goede woorden; de hotelportiers werden natuurlijk regelrechte makelaars, en er installeerden zich agenten, die van den billetten-verkoop hunne broodwinning maakten. Toen ging de politie er zich, op hooger bevel, meê bemoeien, en vaardigde strenge orders uit, ook de pers donderde verontwaardigde artikelen tegen de ondankbaren, die van de vrijgevigheid van den Monarch, op die wijze misbruik maakten. Maar 't hielp niets, integendeel, de boel liep steeds erger.

Toen werd, in 't jaar 1790, in de Opera voor H eerst de billettenverkoop ingevoerd, niet echter als middel tegen het kwaad, maar om een geheel bizondere reden, ten gunste van een componist.

Van den, toen ter tijd zeer gevierden toondichter Dittersdorf, zou er nl. een oratorium Hiob in de opera worden uitgevoerd, en voor de eerste maal stemde men er in toe, dat ten zijnen profijt de kunsttempel tegen betaling door het publiek mocht betreden worden.

De proef viel niet kwaad uit, want Dittersdorf mocht zich over eene opbrengst van 4700 gulden verheugen. De opvoering voor geld werd slechts voor dien éénen avond toegestaan, doch het schitterende resultaat schijnt toch indruk te hebben

Sluiten