Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

163

decoratiën, dansen en groepeeringen, schitterende costumes, optische verblinding en tussehen dit alles Venvs in eene bevallige houding rustende en Tannhauser half knielende aan hare voeten. Zeker, zoo ergens, dan was hier de zinnelijke gloed der melodie op de rechte plaats geweest. In plaats daarvan ontmoeten wij slechts hier en daar een sprankjen melodie — in het korte syrenengezang — en wordt al het overige muziekale gedeelte door een ultraromantisch instrumentaal geweld, een onophoudelijk chromatiseeren, en eene zoowel voor het oor des hoorders als voor de krachten der uitvoerders vermoeiend op- en afstijgen der verschillende toonladders vertegenwoordigd. De nu volgende scène tussehen Venus en Tannhauser bevat daarentegen menigvuldige schoonheden; verschillende periodes door de eerste voorgedragen, zijn waarlijk vol uitdrukking en van schoonen melodieschen bouw; ook het prijslied van Tannhauser dat, in parenthesi, eene °r0ote familietrek niet Von Weber heeft, kan aanspraak maken op ridderlijken geest en zou zeker nog sterker aanspreken, zoo niet door het hooge diapason en de herhaalde stijging daarvan, de krachten van den heer Liebert, evenals die van de meeste tenoristen moesten te kort schieten; gelukkig echter dat het weglaten van een der coupletten eene zeer doeltreffende bekorting in die scène brengt. Bij al de opgenoemde schoonheden van dit tooneel, is het nogthans niet te ontkennen, dat excentrische modulatiën en de buitengewone eischen aan de krachten der zangers gedaan, het aesthetische daarvan voor een groot gedeelte neutraliseeren en den hoorder door inspanning en vermoeienis veel van zijn genot ontnemen. Des te verkwikkender klinkt ons nu het lied van den jongen herder tegen. Van nu aan klimt dit bedrijf meer en meer in voortreffelijkheid en vormt een waarluk geniale finale. De zang door den herdersknaap zonder begeleiding gezongen is natuurlijk, eenvoudig, melodieus en tot het hart sprekend, en zoowel in uitstekende harmonie met het oord waarin hij zich bevindt — het schoone landschap in Thuringerwoud — als in treffend contrast met de voorafgegane scène. Daarbij blaast hij lustig het ritornel op zijne herdersschalmei. Maar op hetzelfde oogenblik hoort men van den bergweg, in de richting van den Wartburg, het koraalgezang van eene pelgrimsschaar klinken; de schalmei zwijgt, nadat zij nog eenige malen op hoogst naïve wijze tussehen de strophen van het koraal geklonken heeft; de knaap luistert aandachtig en roept den pelgrims een luid afscheid toe. Daarop valt Tannhauser op cle knieën, de pelgrims trekken hem voorbij, terwijl hij het tweede vers van hun gezang in ootmoedig gebed herhaalt; maar tranen verstikken zijn stem; de bedevaartgangers, de schalmei, de knaap, alles is reeds verdwenen, en alleen uit de verste verte klinkt nog het klokgelui van de kerktoren, en uit het dal rijzen nog zachtkens de stemmen der onzichtbare zangers op. Dit alles is zoo schoon gedacht en door middel van de muziek, schilderkunst en tooneel-samenstelling zoo voortreffelijk voorgesteld, dat het elk eenigszins ontvankelijk gemoed op wonderbaarlijke wijze aangrijpen moet. Niet minder voortreffelijk is het nu volgende tooneel, waarin de landgraaf Hermann van Thuringen met zijne ridder-zangers verschijnt, na door eenige jachtfanfares te zijn aangekondigd. Deze fanfares zijn door Wagner voor twaalf hoorns op het tooneel — 6 in F, 2 in C en 4 in Es — geschreven, op verschillende hoogten geplaatst, en waarbij in het volgende finale nog 4 — in F en B — in het orkest komen, zoodat het geheel, op zoodanige wijze uitgevoerd, zeker een merkwaardig effect zal voortbrengen, dat vooral ook de natuurlijke voorstelling zeer nabij moet komen. Het nu volgende septet is een der glanspunten van de geheele opera; het is frisch en vol karakter, zangrijk en vloeiend, schoon geharmoniseerd en, zonder overlading, schitterend geïnstrumenteerd, in een woord, het is een muziekstuk, dat weldadig op de hoorders werkt en naast zooveel moeielijk te verteeren spijs met genoegen en tevredenheid

Sluiten