Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

171

klanken, waarna zich een worstelen openbaart dat leidt tot eene bevredigende oplossing. Hoewel Mahler geen programma wil, kan men toch die algemeen menschelijke gewaardingen gerust als programma aanvaarden, maar verder gaat zijn streven niet. Wat in hem zingt, leeft en stormt, uit hij op zijne wijze, en wel in steeds klaarder vorm en uitdrukking.

Deze Vijfde geeft nergens de raadselen die in zijn andere werken zoo vaak voorkomen. Het is een werk uit een stuk, dat ons meer en meer heeft geboeid. O zeker, in zijn melodiek is hij niet altijd voornaam en altijd ontwaart men twee zeer tegenstrijdige naturen in zijn muziek, doch hij is en blijft o.i. eene persoonlijkheid die wat te zeggen heeft, en die den hoorder weet mee te voeren waar hij wil, zoowel in het eerste deel met de daarop volgende hartstochtelijke uitingen, als in het Scherzo, met de echt Weener dans-melodiek. Dan volgt een mooi stukje lyriek in het Adagietto, voor strijkinstrumenten en harp, dat na de bewogen klanken van de vorige deelen een rustpooze geeft, die weldadig aandoet.

De Rondo-Finale is zeker wel het kunstigst bewerkte deel en vormt een brillant slot.

Op het publiek heeft dit werk over het geheel geen grooten indruk gemaakt; het heeft meer den geniaalbegaafden dirigent, dan wel den zeer persoonlijken componist gewaardeerd. Ook de Totenlieder en twee andere, die de heer Zalsman zong, werden koel opgenomen. Het was dus voor den componist geen bemoedigenden avond, doch toen 11. Zondag de heer Zalsman de Totenlieder nog eens zong, en er nu ook meer uitdrukking aan wist te geven, omdat hij ze de eerste maal onvoorbereid moest zingen, daar de zanger uit Weenen die ze zou ten gehoore brengen, ongesteld was, wist hij ze meer te doen waardeeren.

Deze zaugen van Rückert zijn zeer bijzonder gecomponeerd en diep gevoeld in tonen weergegeven. Het orkest heeft daarbij een belangrijk aandeel, vooral in het laatste: „In diesem Wetter, in diesem Braus," waarin eeu natuurschildering tegen de gezongen tekst is gelegd, die een groote stemming wekt, doch ook de anderen hebben allen iets dat zeer aanspreekt.

Het bestuur van Toonkunst had van de aanwezigheid van den meester gebruik gemaakt om hem uit te noodigen ook zijn werk: Das klagende Lied voor solo-stemmen, koor en orkest te dirigeeren en daarmede heeft hij eene vergoeding gehad voor de koele ontvangst van zijn Symphonie, want dit werk, dat reeds dateert van 1880, heeft den toehoorders echt warm gemaakt.

De tekst die Mahler zelf heeft geschreven en aan een sprookje van Grimm heeft ontleend, is weer een echt Mahler's stemmings-stuk, waarin op zeer eigen wijze de gedachte van het leed dat de speelman klaagt op zijn fluit, die gemaakt is uit een aan de weg gevonden doodsbeen van de verslagen zuster van den koning, verklankt. Het leid-motief: „O Leide" geeft, na een lange sprekende inleiding, geheel de stemming aan en op zeer fantastische wijze is deze tekst geïllustreerd.

Sluiten