Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

212

leend om eene som van / 5000 Werkelijke Schuld aan te koopen, „ten einde het ontwerp voor het fonds aanvankelijk ten einde te brengen". Het Pensioenfonds bedraagt thans ongeveer f 150,000.

In 1830 werden voor het eerst leerlingen ontslagen, welke hun leertijd volbracht hadden, en eenige nog aan de school verbonden leerlingen als surnumerairs bij de Koninklijke Hofkapel aangesteld.

In 1832 bedroegen de schoolgelden ƒ1192.50, de gezamenlijke ontvangsten (waaronder de subsidies van het Rijk, de Provincie en de Gemeente) ƒ 11,116.10.

In 1839 werd een nieuw Reglement voorgesteld en goedgekeurd en het getal niet-betalende leerlingen op hoogstens 70 bepaald. Het schoolgeld bedroeg toen ƒ40 per jaar.

Toen in 1842 de Hofkapel ontbonden en het Haagsche orkest „stedelijk" was geworden, maakten ook de leeraren der school er deel van uit. Zij werkten als zoodanig mede in het orkest der Fransche Opera, op de concerten van „Diligentia" en van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst, van welke beide vereenigingen Lübeck directeur was, en sommigen behoorden ook tot de kapel der Grenadiers en Jagers.

Het ligt niet in onze bedoeling, hier alle cijfers en gegevens, door de Commissie van Toezicht in haar „Overzicht" vermeld, mede te dealen; wij willen alleen op enkele feiten wijzen, die voor de ontwikkeling der school van belang zijn geweest.

Lübeck bleef tot aan zijn dood, 7 Februari 1865, directeur der school. Onmiddellijk na zijn dood kwam de Commissie van Toezicht bijeen, om een opvolger van hem aan de Regeering voor te dragen.

Er stonden twee candidaten op de voordracht: Joh. J. H. Verhulst, destijds als orkestdirecteur op het toppunt van zijn roem, en W. F. G. Nicolaï, sedert 1853 als leeraar in het orgelspel aan de school verbonden.

In den brief van de Commissie aan den Minister, d.d. 20 Februari 1865 staat vermeld, dat vier leden op Verhulst, drie op Nicolaï gestemd hadden.

Bij ministeriëele beschikking van 21 Febr. 1865 werd Nicolaï tot directeur benoemd.

Die benoeming had ten gevolge, dat vier leden der Commissie, de heeren Huyssen van Kattendijke, Lantsheer, Knuyse de Mey en van Bylandt, hun ontslag namen, en wel, zooals laatstgenoemde in zijn schrijven aan de Commissie zegt: „tengevolge van de plaats gehad hebbende benoeming van den directeur der Koninklijke Muziekschool, welke aanstelling is geschied in strijd met de voordracht der Commissie van Toezicht."

De minister, onder wiens bestuur dit geschiedde, was Thorbecke.

De omstandigheid, dat Verhulst de opvolger van Lübeck werd als orkestdirecteur, Nicolaï daarentegen als hoofd der school, was oorzaak, dat de band, die tot dat

Sluiten