Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

302

der 18e eeuw natuurlijk was, kan ons onverstaanbaar toeschijnen. De vormen en middelen van uitdrukking wisselen af, zoo ook de zinnelijke indrukken.

Er zijn dus ook geen eeuwigdurende wetten. Het begrip van bet klassieke is schoolwijsheid, maar geen levenswaarheid.

Er zijn geen classisi; er zijn alleen meesters en voorbeelden (Meister und Muster). En het staat iedere generatie vrij, wien zij als meester willen erkennen en wat zij als voorbeeld willen beschouwen. Blijft iemand dan gedurende verschillende generaties als meester erkend, des te beter, maar daarom behoeft hij nog niet klassiek te zijn. De classici zijn, onovertreffelijk, volkomen onbereikbaar, volmaakt. Zij staan bijna in den reuk van heiligheid. Zij worden voor de menschen nog heiliger hoe ouder ze zijn. Zij zijn in de oogen van het publiek een onbereikbaar voorbeeld, zelfs wanneer het nauwelijks hun werken kent.

Dat is de machtige suggestie van een grooten naam.

Aan de classici te gelooven, beteekent aan het verleden te gelooven. Hoe inniger de vereering is, die men voor hem gevoelt, des te geringer moet het geloof aan de toekomst zijn, die zich van de klassieke idealen meer en meer verwijdert. Want wanneer wij met hart en ziel, en niet alleen met den mond, aan de zijde der classici stonden, dan zou iedere stap vooruit in de kunst die naar nieuwe wegea voert, reeds vooraf veroordeeld zijn. Onze aan geloof zoo lauwe tijd, prijst de klassieke kunst alleen met den mond, maar is met het hart de nieuwe kunst toegedaan. En wat uit het hart komt, beslist.

Iedere meester kan overtroffen worden. Dat is menschelijk. Ieder voorbeeld is het slechts zoolang, als het voor ons gevoel en denken is. Een classicus moet een meester zijn, maar daarom is een meester nog lang niet klassiek. De classicus is een versteende grootheid, de meester is een levende kracht. Hij blijft voor ons een meester, maar geen voorbeeld meer. Hij wordt van ons hart afgerukt en de hartstochtelijke liefde is een platonische geworden.

Het is de questie van artistieke liefde en vereering van het verstand. Iets klassieks, dat verouderd is kan het onmogelijk blijven. De schoonheden van het antieke drama genieten wij met verbazing en vereering; maar wij genieten ze met het verstand, niet met het hart.

De schrijver gaat hier na dat, hoewel men zich sedert Mendelssohns' initiatief tot op onzen tijd intensief met Bach bezig houdt, en Bach ons zeker heel wat nader staat dan de oude tragedie, hij toch nog zoover van ons afstaat, dat alle pogingen om hem nader tot het volk te brengen zijn mislukt. (Hier moeten wij aanstippen dat de Mattheus—Passion in ons land hoe langer hoe nader tot het publiek wordt gebracht en dat het voor zeer velen reeds een behoefte is geworden dit meesterwerk in de lijdensdagen te hooren. Doch dat geldt natuurlijk alleen voor dit werk.) Tegenover Bach is — zegt hij — Wagner de sterkere. Alleen in Max Reger is de invloed van Bach duidelijk te bespeuren. Doch men moet af-

Sluiten