Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPORT IN BEELD.

12

ik, dat we een ree zouden ontmoeten, en dat ik een kansje kreeg om mijn schutterscapaciteiten te demonstreeren. Ik had tevens gehoord, dat het een groot genot moet zijn om dat wild neer te leggen. Nu, we hadden geluk. We kwamen er verschillende tegen. Plots hield de chauffeur zijn wagen in, en wees vooruit. Daar stond een ree. Een pracht-exemplaar! Ik mikte. Ik gaf vuur. De kogel schoot door het onderlijf van het beest, en verminkte de buik. Het ree nam desondanks een sprong, en verdween in het bosch, terwijl de ingewanden over den grond sleepten. Wij volgden de bloedsporen tot aan de plek, waar het dier was neergevallen, en ik wilde hem het genadeschot geven. Toen wendde het beest den kop naar mij toe, en keek me met zijn onschuldige oogen, bijna verwijtend, aan, alsof het wilde zeggen: waarom heb je mij dat aangedaan? Ik was er ziek van, maar ik vuurde, en maakte er een einde aan. Een van de jongens kwam toeloopen, en feliciteerde mij opgewonden met mijn prachtig schot. Hij scheen te denken, dat men trotsch op zoo iets moet zijn. Maar ik was geschrokken. Ik kon geen woord uiten. Het was of ik zou stikken. Ik zag maar steeds die oogen, die verwijtende oogen. Nadat ik een paar dagen over het voorval had nagedacht, zwoer ik, zoo iets nooit meer te doen. Ik kan daarin geen „sport" ontdekken. Eerder zou ik een hond kunnen dood-schieten dan een ree, alhoewel ik veel van honden houd. Het denkbeeld, dat het „sport" zou zijn voor een sterk mensch, met een geweer gewapend, dat op een mijl afstand nog kan dooden, om zulk een edel, schuw dier neer te leggen, een beest, dat natuurlijk geen kans heeft om zich te verdedigen, wil er bij mij absoluut niet in. Een ree is het meest hulpelooze en tegelijk edelste van alle dieren in het woud. Ik zal nooit meer een tweede schieten, en zelfs al zou ik honger hebben, ik zou het niet kunnen!

Inderdaad — datzelfde gezicht, dat in Philadelphia een masker was, toen Tunney Dempsey neerranselde, was nu smartelijk vertrokken.

— Maar je vocht toch bij de marine-infanterie! — zegde ik.

— Dat is toch iets anders! — antwoordde de Bokser. — Ik heb nooit iemand gedood, met wien ik persoonlijk bekend was. Het was nu eenmaal oorlog. Verschrikkelijk! Maar de anderen probeerden immers, ook ons te vernietigen.

— Hoe staat het nu echter met je gevoel, wanneer je in den ring bent ? — vroeg ik weer.

— Nu! Ik zou er ook absoluut geen lust in hebben om een hulpeloozen tegenstander knock-out te slaan, iemand, die sportief heeft gestreden. Maar wel heb ik er altijd pleizier in, met een man te vechten, van dezelfde sterkte als ik. Daar zit niets bruut's in. Maar een schepsel te treffen, dat weerloos is, kijk eens, dat is een heel ander geval! Op eenden- en patrijzen-jacht ga ik graag. Die hebben kans om te ontkomen, een kleiner tref-vlak, die zijn snel. Maar op ree jagen? Nooit meer!

— Heb je als jongen nooit katten dood gemept?

— Nooit! Ik kan me zelfs niet herinneren, dat ik ooit 'n muis dood sloeg. Het schijnt wel een traditie te zijn, dat iemand, die Bokser is, ook het moord-instinct in zich moet hebben. Maar ik geloof meer, dat de Boksers zelf die praatjes laten rond-strooien om den tegenstander schrik aan te jagen.

En Tunney zegde nog dit:

— Over 't algemeen maak ik onderscheid tusschen eerlijke Bokssport en het rauwe meppen, en ik geloof, dat de meeste sport-liefhebbers hetzelfde doen. Ik heb bv. nog nooit gehoord, dat d'Artignan, wanneer hij een tegenstander voor z'n kop sloeg, daarin bepaald genoegen had, en ook niet, dat Robin Hood ooit „unsportsmanslike" is opgetreden. Met andere woorden, ik kan eenvoudig niet inzien, waarom het voor een Bokser, zelfs voor een wereldkampioen, noodzakelijk is, het prettig te vinden, hulpelooze dieren dood te slaan. Voor mij is zulk een karaktertrek een teeken van zwakte, niet van sterkte!

— Heb je dan niet gerild, toen je Dempsey neer-mepte? Hij dacht even na. Dan sprak hij:

— Nee! Ook niet, nadat hij zwak begon te worden! Voor dien tijd was ik huiveriger. Hij was altijd gevaarlijk, en toch zou het mij geen bepaald genoegen hebben gegeven, als ik hem in elkaar had geslagen, alhoewel ik het had gekund. Hij was overwonnen, en er zat geen „sport" meer in om hem zwaarder letsel toe te brengen!

— Van Jack kon men ook moeilijk zeggen, dat hij als een stervend ree keek.. . . !

— Nee! — lachte Gene. — Integendeel! Hij had nog een pittige linksche over gehad, als ik niet had opgepast! U. S. A.

W )

Nevenstaand heer is een eigenaardige sinjeur. Hij speelt nl. Rugby met zijn bloote voeten. Hij doet hetzelfde bij Curling, waarbij hij dan de schijf niet werpt, maar een zet geeft met zijn teenen. Pijn doet het Henry Hughes van Hawaii niet. Likdoorns, eksteroogen kent hij niet. Hij is blootvoets even scherp gewapend als een voetballer met zijn boots aan. — De tweede mannetjesputter, hierboven afgebeeld, is eveneens een unicum. Hij heet Ralph White, is 25 jaar oud, en is buitengewoon stevig gebouwd, gelijk de foto voldoende aantoont. White is dan ook een zeer gaarne gezien lid van de Rugby-ploeg van Pasadena.

Sluiten