Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPORT IN BEELD.

20

Waarom de Kunst en de Sport tot nu toe nog zoo

slecht samengaan?

Ook wij hebben er wel eens over geklaagd, n.1. dat de kunstenaars, al worden er dan ook sport-werken gelanceerd, de sport toch nog vrijwel negeeren in hun kunst. Wouwerman, Caran d'Ache en Liebermann hebben paarden geschilderd — om een zeer lossen greep te doen. Phil May teekende boksers. Helen Wills is gebeeldhouwd, en is er zelfs een brok sculptuur van den Belg Toon Dupuis, n.1. Dé Kessler. Schaarsche, zeer schaarsche voorbeelden! Wij geven het volkomen toe. Maar al even schaarsch zijn de resultaten. In ons land en elders!

Elders eveneens! Want hoe anders een zeer waar artikel in L'Auto te typeeren, een essai van Géo Cim, een „sociétaire de la Fédération Francaise des Artistes" ? Cim raakt o.i. den spijker op z'n kop, en vandaar, dat wij een gedeelte uit zijn bemerkingen citeeren.

Hij beklaagt er zich dan in de eerste plaats over, dat men op de diverse tentoonstellingen zoo weinig kunstwerken aanschouwt, aan de sport gewijd. Hetgeen den schrijver echter geenszins verwondert! Hij weet de oorzaak opperbest. Al is de sport ook — aldus schrijft hij — ingeburgerd in onze zeden en gewoonten, al maakt zij er deel van uit, tóch moet men het betreu¬

ren, dat de intellectueele kunstenaars zoo weinig op de hoogte zijn van het weldoende sportieve genoegen.

Want, om van sport te houden, dient men haar in de eerste plaats te beoefenen!

Afgezien van de decoraties is er inmiddels, niettegenstaande cubisme,f uturisme en andere uitingenop schilder-gebied, weinig „nieuws" in dit genre verschenen. De eene tentoonstelling volgt de andere op — Cim spreekt — en alle zijn ze monotoon. Waarom geeft men aan degenen, die zich in de academies op de schilder-kunst toeleggen, ook niet eens een sportief model te teekenen instede van de eeuwige mythologische wonderen ? Cim

haalt, in verband hiermede, de woorden van den grooten Franschen schilder Gustave Courbet (1819—1877) aan: „Ik wil heel gaarne uw sirenen en muzen schilderen, maar brengt ze mij, want men moet ze zien om ze te kunnen schilderen!" Welnu, de sportieve modellen, de demonstraties zijn voldoende in voorraad. De sport vervolgt ons, pakt ons, want de sport, ze is het moderne leven zélf, ze is de actie, de beweging, de harmonische arbeid van de spieren, ze is de plastiek en de esthetica van het menschelijk lichaam. De Sport — aldus roept Cim uit — is de Kunst! Le Sport, c'est 1'Art!

Dan herinnert de schrijver aan de oudheid, aan de periode der Grieken. Heeft de Atheensche school ons niet haar onsterflijke chefs-d'oeuvre nagelaten ?

Géo Cim beveelt het volgende aan. Tentoonstellingen organiseeren,' waar de schilders, die wél de sport liefhebben, die haar wèl namen als onderwerp voor hun doeken, kunnen exposeeren! Eendracht maakt macht! Aldus zullen de oogen van de menschheid open gaan, en zij zullen een dergelijken artistieken arbeid waardeeren. En ook de oogen dier anderen zullen geopend worden, die van de collega-schilders, en zij zullen een nieuwe wereld ontdekken.

Men heeft meermalen den spot gedreven met het artistiek concours,

aan de Olympische Spelen verbonden. Een dergelijk railleeren demonstreert de meest ergerlijke kortzichtigheid. Groote resultaten zijn er door deze kunst-wedstrijden nimmer bereikt. Olympische Spelen worden ook maar eenmaal in de vier jaar gehouden. Tóch beteekenen zij een stimulans, deze exposities. Waren er maar méér van dit genre!

Maar.... naar onze meening zal de waarachtige sport, die, welke het lichaam verfraait, eerst nog meer dienen in te dringen in onze samenleving, eer de kunstenaarsdrom zich aan deze sport geeft. Inderdaad — wat men gemeenlijk op sport-gebied kan gadeslaan, het schenkt weinig inspiratie aan den artistieken geest. Onze voetbal-wedstrijden zijn niet schoon in den zin van aesthetisch-mooi. Onze wieler-races evenmin! Omdat de mensch zélf, de beoefenaar nog niet schoon is. Tenslotte, wijl de thans beoefende sport — sport veelal in het wilde weg — de lichamen niet verfraait, in tal van gevallen zelfs verleelijkt. Men denke aan vele voetballers met kromme knieën, aan vele wielrenners met bijkans gebochelde ruggen! Maar.... er bestaat nog een andere sport, welke niet zoo aan den weg timmert, sport, die het corpus m^^___^_^_^^^^_^__^^____ wèl veredelt, sport,

Bij ons artikel „De Kunst en de Sport" publiceeren wij bovenstaande afbeelding, een uitnemend specimen van sportieve kunst. Hoe kan het ook anders? Deze „Patrijzen-jacht" werd geschilderd door den artist-sportsman Samuel Howitt, die van 1760 tot 1822 leefde, en zelf i veel aan Jacht, aan sport in 't algemeen deed.

veelal in de stilte bedreven, en de kunstenaar aanschouwt deze sport slechts zelden, waarschijnlijk nooit. Omdat hij haar zelf niet beoefent. Omdat hij, wellicht terugdeinzend voor het weinig verheffende aan de publieke sport verbonden, den prikkel niet in zich voelt om zélf 't lichaam te gaan oefenen, om zélf sportsman in den goeden zin des woords te worden.

Dat de kunstenaar tot op heden nog zoo weinig voor sport gevoelde, nog zoo schaarsch sport in zijn werk produceerde, het ligt 'm voornamelijk aan onze wijze van aan sport doen, aan de verwilderde wijze. Sport in den zin van lichamelijke op¬

voeding zal ook dit

euvel verhelpen. Een academie voor physical culture kan niet alleen heilzaam werken voor den sportsman, voor den sport-paedagoog, doch al evenzeer voor den kunstenaarsstand van een land.

Wij wenschen geen futuristische kladderij van een roezemoezigen wielerwedstrijd bij rossig avond-licht, wij wenschen de veredelende sport door het artistiek penseel vereeuwigd, den athleet dus in zijn besten vorm.

En zoo zal het worden, wanneer eenmaal de sport.... de sport is geworden, wanneer de sport zich zelve zal hebben gevonden. Doch om dit te bereiken, dient eerst de wijsheid in den mensch te zijn gevaren, moeten wij verlost worden van den chaos, welke heden ten dage nog op het gebied der sport, die in zoovele gevallen géén lichaamsoefening, géén lichaamsontwikkeling is, woekert en verderf brengt, veel verderf naast slechts weinige zegening.

Op degenen, die de sport in stilte beoefenen, op den roeier, den gymnast, den athleet, die den wedstrijd schuwt en slechts de methode prijst, zijn wij in dit opzicht aangewezen. Alsmede op de geleerden, die ons den weg in deze richting bereids wezen en nog zullen wijzen. Zij zijn voor de menschheid van meer nut dan de wereldkampioen.

Hebben dezen hun terrein veroverd, dan zal de kunstenaar volgen!

Sluiten