Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5

SPORT IN BEELD.

De Olympische Spelen.

Vier hoofdmannen in het Olympisch Stadion, v.l.n.r. Mr. A. Baron Schimmelpenninck van der Oye, Kapt. G. van Kossem, P. W. Waller en Majoor P W Scharroo rcsp. voorzitter, algemeen secretaris, penningmeester en vice-voorzitter van het Comité 1928.

Hors d'oeuvre.

Het begon wat ongemoedelijk! Er dreven boven ons grijze, loodkleurige wolken. Regendreiging! En toen de klok half twee sloeg, en 't roezemoezig was op het geweldig, met vlaggen overladen, Van Tuyll-plein van buiten-hek-publiek, toen concentreerden de wolken-eilanden zich zelfs tot parelmoerig violet, en lekten vette druppels omlaag.

Zoo het weer, zoo de menschen! We vingen zoowaar aan met 'n procedure voor de rechtbank, een onverkwikkelijk iets, en een Weiss'che (niet wijze) interpellatie in den gemeenteraad. En we hebben zelfs zoowaar in een onzer groote bladen het geleuter van een professor over vrede gelezen, vrede in verband met de Olympische Spelen, met de sport. En dat na 1914! Laten we toch frisch blijven!

Maar toen we mekaar, wat nerveusjes, begroet hadden voor den Stadion-ingang, en burgervader de Vlugt was verschenen met Jhr. Roëll, den Commissaris der Koningin in Noord-Holland, en de Minister van Oorlog

met Generaal Snijders, toen Baron Schimmelpenninck, sympathiek-eenvoudig in z'n colbertje, met den Prins naar buiten trad, omgeven door de veteranen op sport-gebied, van Warner tot Scharroo, van Waller tot Van Rossem, van Kips tot van Laer, toen de eerste woorden werden gesproken als huldeaan den grooten voorganger, toen was dat klein, onverkwikkelijk gedoe met één slag van je ziel weggedreven, en zoowaar, het zonnetje blonk óók.

De Franschman Frantz Reichel, president van de „Fédération Internationale de Hockey sur Gazon", een der hoofdmannen van dit tournooi.

J. D. Trcsling, voorzitter van den „Nederlandsche Hockey- en Bandy-Bond".

Het beeld.

Wij weten niet, welk mysterie hier een rol heeft gespeeld, dat de dame Rueb, die zich op ziilk een wijze den man droomt, in de gelegenheid is gesteld, dit beeld te wrochten. Het beeld, dat eenigermate op een onzer geachte en achtenswaardige collega's lijkt! Heeft de artiste wellicht gedacht, dat voor een monumentaal stadion een robuuste figuur behoort ? Of heeft ze „Le Penseur" van Rodin uit zijn gemijmer willen wekken, en recht-op pogen te zetten ? Deze athleet, die weinig heeft van den Olympische, veel meer

van een professional-worstelaar, een figuur, wat proporties aangaat, bovendien noch juist of logisch, is niet bepaald een sympathieke begroeter, zoo men de arena binnentreedt. Het is alles gewild geweld, dus gewrongen, niet artistiek.

En dan. ... dit stadion is eerder van buiten elegant dan monumentaal. Het is de uiting, eveneens eerder, van een gevoelige dan van een geweldige ziel. Het is met z'n steen-soort, z'n lijn, z'n speling van welvingen, met z'n slanken Marathon-toren bovenal, veeleer bevallig dan stug-stoer. Dit is in elk opzicht bedoeld als een compliment, een hulde. Waarom nu deze portier met z'n groffe handen aan den ingang geplaatst, en dezen ruwen man met z'n plat, blijkbaar hersenloos voorhoofd, gewijd aan den zwierigen, Fransch-fijnen Nederlander Van Tuyll ? Het is een vergissing. Een schromelijke vergissing!

Van Tuyll!

Het „In Memoriam Frits van Tuyll" was sympathiek-eenvoudig, maar het was niet

Jhr. L. J. Quarles van Ufford, de ijverige, zoo sportieve secretaris-penningmeester van den „Nederlandsche Hockey- en Bandy-Bond".

Sluiten