Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

405

Dat Schumann het schrijven over muziek eigenlijk meer als een noodzakelijk kwaad beschouwde, bewijzen verschillende boutades van Florestan, zooals: „Was ist ein ganzer Jahrgang einer musikalischen Zeitung gegen ein Konzert von Chopin?" „Was Magisterwahnsinn gegen dichteriscben ? Was zehn Redaktionskronen gegen ein Adagio im zweiten Konzert (van Chopiu)? — Port mit den Musikzeitungen! Aufrichtiger Kritiker hochstes Streben müsste sein, sich ganzlich überflüssig zu machen; — beste Art über Musik zu reden, die zu schweigen. Warum über Chopin schreiben? Warum nicht aus erster Hand schopfen, selbst spielen, selbst schreiben, selbst komponiren?"

In overleg met Clara heeft Schumann nog getracht zijn tijdschrift naar Weenen over te brengen, en gingen zij zich met dit doel aldaar vestigen, hopende het blad een nieuwe vlucht te geven en zich daardoor ook een vast inkomen te verzekeren. Voorloopig verscheen het tijdschrift echter nog te Leipzig, waar Oswald Lorenz het redigeerde, doch voor het verschijnen te Weenen deden zich allerlei bezwaren voor, in de eerste plaats van de censuur; ook toonde niemand der muzikale autoriteiten aldaar er eenige belangstelling voor, zoodat Schumann reeds spoedig moest zeggen: „Die Zeitung verliert offenbar, wenn sie hier erscheinen muss. Das tut mir sehr Weh." In Weenen vond hij trouwens ook geen medewerkers zooals te Leipzig, die geheel in zijn geest schreven, „die nicht allein eines oder zwei Instrumente passabel spielen, sondern ganze Menschen sind, die den Shakespeare und Jean Paul verstenen." Het plan van Weenen gaf hij dus op en terug naar Leipzig wilde hij niet, en toen hij in Maart 1839 toch daartoe besloot, wilde hij dat het slechts voor korten tijd zou zijn. Hij had toen het plan gevormd zich voor goed in Engeland te vestigen, doch daarvan kwam niets. Hij heeft den Engelschen bodem nooit betreden. Hoewel Weenen dus voor zijn tijdschrift niet van gewicht was, heeft hij daar toch, dank zij het groote muzikale leven aldaar, als componist nieuwe opwekkingen gekregen. Zijn „Faschingschwank aus Wien", Opus 26, is daarvan het bewijs. Zooals men weet komt daarin de Marseillaise-melodie voor; het was te Weenen toen verboden die melodie te zingen of te spelen, en Schumann, wien de politie het zoo lastig had gemaakt met zijn tijdschrift, nam aldus met haar een gemoedelijk loopje.

Daar Schumann groote vereering koesterde voor Schubert was het natuurlijk, dat hij diens graf op het Wahringer kerkhof, dat slechts weinige schreden van dat van Beethoven lag, eens bezocht. Hij vond aldaar een stalen pen en nam die mede. Daar hij zeer symboliek aangelegd was en altijd naar geheime verbindingen in het leven zocht, gebruikte hij die pen alleen bij zeer bijzondere gelegenheden. Daarmede heeft hij zijn Bes-dur symphonie geschreven, evenals de in het jaar 1840 geschreven bespreking in zijn tijdschrift van Schubert's C.dur symphonie, welk werk hij bij toeval, tijdens een bezoek bij Schubert's broeder Ferdinand, onder tal van manuscripten, die hem getoond

Sluiten