Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

421

in den titel en niet minder in de wonderbaarlijke geruchten, welke omtrent de monteering en opvoering de rondte deden. En die waren geenszins overdreven.

Het boek van Pierre Louys, dat een zekere vermaardheid verworven heeft door de merkwaardige en schitterende beschrijving van de Egyptische pracht en praal te Alexandrië in de eerste eeuw voor Christus, bovendien door zijne realistische bijna te gewaagde schildering der toestanden, alles in een buitengewoon mooie taal en stijl beschreven, is door den heer Grammont bewerkt in zeven losse, nauwelijks samenhangende tafereelen, terwijl de rest maar door den toeschouwer er bij gedacht moet worden. Wie er echter heengegaan is met de bedoeling, een riskant tooneel bij te wonen, moet in dat opzicht zeer teleurgesteld zijn huiswaarts gekeerd, daar de bewerker zich van de gewaagde tooneelen geheel onthouden heeft, op het vijfde tafereel na; maar dit is door den heer de Grammont op verzoek van den Directeur van de Opéra-Comique alsnog geschrapt, zoodat dit zuiver aan de fantasie van de toeschouwers gedurende de pauze van het vierde en zesde (bij de opvoering het vijfde) tafereel is overgelaten; natuurlijk heeft deze schrapping den logischen samenhang van 't werk ook al niet bevorderd.

Op verschillende plaatsen is de tekst van den roman woordelijk gevolgd, vooral in de samenspraken van Chrysis en Demetrios, doch de in geen enkel opzicht boeiende muziek maakte dat de kleur, welke Louys in die dialogen gelegd had, geheel verloren ging en den toehoorder een gevoel van ontzaglijke verveling en holheid bezorgde. Stellig zou het werk meer indruk gemaakt hebben, wanneer de verschillende tafereelen als tableaux vivants zouden vertoond zijn, zoodat het eene zeer snel voor het andere plaats zou gemaakt hebben.

Het eerste tafereel doet ons kennis maken met de Heptastade, de lange pier, welke Alexandrië en het eiland van Pharos met elkaar verbond. Men ziet er Myrto en Rhodis, de fluitstertjes, die de legende van Pan en de nymph Syrinx bezingen. Ook treft men er leegloopers, „courtisanes", kunstenaars, onder wie de beeldhouwer Demetrios van Saïs, die het beroemde beeld van Aphrodite, waarvoor de koningin Berenice als model geposeerd had, vervaardigd heeft en sedert dien alle vrouwen versmaadde, doch, gelijk een tweede Pymalion, zich slechts in staat gevoelde, de ideale vrouw, Aphrodite, wier beeld hij voortdurend voor oogen za"-, te beminnen. Demetrios blijft dan ook de bekoorlijkheden der „courtisanes" weerstaan, zoodat zij hem verachten, bespotten, en heengaan. Hij zelf blijft achter met de oude sonnambule Chimairis, die de toekomst uit de palm der hand weet te voorspellen. Op zijn verzoek zegt zij hem zijn lot n.1.: „Ik zie al het geluk, doch slechts in 't verleden. En ik zie al de liefde ... zij vergaat in bloed ... het bloed eener vrouw... en voorts het bloed eener andere vrouw... en dan een weinig later 't uwe." Chimairis verdwijnt, terwijl een andere vrouw, eene onbekende, langzaam voorbijgaat. Het is eene galilëische, Chrysis genaamd, wijl heur haardos goud gekleurd is. Demetrios wil haar volgen. Zij weerstaat hem, al was

Sluiten