Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

451

En zij volgden daarin het voorbeeld hunner voorzaten.

Meer dan een eeuw te voren had de kerkhervorming er toe aanleiding gegeven, dat de regeerders van dit land zich op meer ernstige en degelijke wijze met die kunst begonnen bezig te houden. Keurvorst Friedrich der Weise reeds had in zijn slot te Wittenberg een zangkapel, die voor den dienst der hervormde kerk was ingericht en den naam van Cantorei droeg. Zijn opvolger, Johann der Bestandige, echter liet haar opdoeken, waarschijnlijk omdat hij zulk een instelling op den duur te kostbaar vond. Het gevolg daarvan was, dat de leider van die kapel, Johann Walter, een vriend van Luther, en diens raadsman in muzikale zaken, in Torgau op eigen hand een „Cantorei-Gesellschaft" oprichtte.

Luther was over die karigheid van den keurvorst alles behalve gesticht en gaf zijn ongenoegen te kennen door te zeggen: „Könige, Fürsten und Herren mussen die Musica erhalten, denn grossen Potentaten und Herren gebührt solches; einzelne Privatleute können es nicht thun."

Indachtig aan deze woorden van den grooten Reformator, stichtte Moritz van Saksen in 1548 opnieuw een keurvorstelijke „Cantorei" en benoemde Johann Walter tot leider daarvan. Uit deze kapel heeft zich in den loop der tijden de „Königlich Sachsische mnsikalische Kapelle" ontwikkeld, waarvan vooral het Hoforkest te Dresden zich een grooten naam heeft verworven.

Aanvankelijk stond in eerstgenoemde instelling, evenals in alle andere dergelijke inrichtingen van dien tijd, de zuiver vocale muziek op den voorgrond. Van lieverlede echter voegden zich daarbij de instrumenten — eerst tot steun van de stemmen doch allengs meer zelfstandig optredende. En de taak der bespelers van instrumenten werd van meer gewicht, naar mate de vorderingen, die de muziek in Italië had gemaakt — voornamelijk de solozang met begeleiding — in Duitschland doordrongen, totdat eindelijk ook de schitterende Italiaansehe opera den weg naar de Saksische landen vond.

Van een nationale kunst was nog lang geen sprake. Slechts eenmaal scheen het, alsof zij zou beginnen te ontluiken, en dit was in 1627, toen onder de regeering van Keurvorst Johann George I in het slot Hartenfels te Torgau bij gelegenheid van het huwelijk van diens dochter Eleonore Sophie met landgraaf George van Hessen—Darmstadt een opera Dafne van den beroemden Heinrich Schütz (toenmaals leider der keurvorstelijke kapel) werd opgevoerd. Dit was echter niet meer dan een nabootsing van de gelijknamige Italiaansehe opera van den dichter Rinuccini en den componist Peri, waarvan de dichter Opitz den tekst in bet Duitsch vertaald had. Het bleef trouwens bij deze eene proef; de tijden waren te ongunstig om hierop door te gaan. Vooral Saksen had toen veel van den oorlog te lijden, en het is nog te verwonderen, dat onder die rampen de kapel in stand kon worden gehouden.

Eerst onder keurvorst Johann George II (1656—1680) herademde men en

Sluiten