Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

513

Strijkkwartet — de heeren Louis Wolff, Carl Blitz, W. F. Beunderman en I. Mossel — dat sedert het begin van dit jaar bestaat. Van zulk een jong ensemble het hoogste te verwachten, is onbillijk. De hobbelige paden der kwartetmuziek zijn alleen zonder ongelukken af te leggen, indien zelfverloochening en zelfbeperking de individueele capaciteiten tot een welgevormd geheel doen samensmelten. En de aanvoerder van dit Kwartet is te veel solist up to the mark, om zoo maar bij het eerste treffen in het publiek zijn individualiteit geheel op zij te kunnen zetten. Daardoor is in het a moll Kwartet van Schubert geen evenwicht in klank en gevoelsexpressie geweest tusschen de vier stemmen: men onderkende duidelijk twee afzonderlijke groepen, de eerste viool eenerzijds, de overige instrumenten anderzijds. Maar in de uitvoering van Schafer's meer gepassioneerd Klavierkwintet, waarvan Anton Verheij de moeilijke pianopartij glansrijk speelde, gaven de heeren toch een belofte, welker vervulling slechts een quaestie van betrekkelijk korten tijd behoeft te zijn.

Het Orkest van het Concertgebouw bracht in zijn eerste concert een symfonisch gedicht, La Procession nocturne, van Henri Rabaud, ten gehoore, dat voor Rotterdam een noviteit was. Rabaud, wiens opera La Fille de Roland verleden jaar in concertvorm door Gemengd Koor is gegeven, hebben we toen van een eemgszms droog-schoolschen kant leeren kennen, als een componist, die de vormen onzer muzikale voorvaderen niet met eigen gevoel wist te verlevendigen. Maar met zijn symfonisch gedicht, dat ouder is dan zijn opera, schreef de jonge Franschman een vernuftig geïnstrumenteerd stuk muziek, dat Lenau's gedicht Der nachtliche Zug stemmingsvol in klanken doet leven, en waarin de componist zich niet vergreep aan Detailmalerei naar het voorbeeld der Donnerwetter-muziekfabrikanten. Rabaud's compositie genoot een schitterende uitvoering evenals de overige „nummers" van het programma: Cherubini's Anacréon-Ouverture, die ook van Mozart kon zijn, Beethoven's Vijfde Symphonie, de door Kes in een rijk instrumentaal kleed gestoken Etudes symphoniques van Schumann en — schitterende apotheose van een heerlijken avond — het Meistersinger-Voorspel.

Het Brodsky-Kwarlet stelde zich hier, „op verzoek van eenige kunstvrienden", met een gedeeltelijk ander programma voor dan elders. De heeren uit Manchester speelden eerst Tschaikowsky''s D-dur, dat dit met gelegenheidswerk van minder bekende goden gemeen heeft, dat men er de arbeidsmoeite van kan betreuren, en tot slot Beethoven's laatste Kwartet (F-dur op. 135). In het eerste kwamen zij niet op streek: stemming en samenspel lieten te wenschen, en in het laatste reikte de voordracht, wat gevoels-expressie betreft, lang niet tot de diepte van die van illustere collega's. Alleen Rich. Strauss' Pianokwartet verwarmde het gemoed door een glansrijke verklanking, waartoe Johan Sikemeier, de hier hooglijk gewaardeerde klavierpaedagoog, een groot aandeel bijdroeg.

Volledigheidshalve maak ik hier melding van een concert, gegeven door de nog pas kort bestaande mannen-zangvereeniging Inter Nos, een kleine schaar uitgelezen stemmen, die onder Bemard Diamant's beproefde en artistieke leiding tot heel wat belangrijker daden in staat zijn dan het afloopen van wedstrijden en het doen aan alledaagsche Liedertafelei zijn. Onberispelijk, met merkwaardige zekerheid in de handhaving der zuiverheid, weelderigen klank en voorname voordracht zong dit koor o. m. een mooie a cappella-compositie van A. B. H. Verheij: De Dag des Oordeels.

Verder hoorden we hier Julia Culp in een druk bezocht concert liederen van Beethoven, Löwe, Paladilhe, Hahn, Tschaikowsky en Hugo Wolf zingen, en kwam Wüllner, met Bos, slechts één avond, helaas, het overstelpend genot brengen van zijn eigenaardige kunst. Hij droeg toen liederen van Schubert,

33

Sluiten