Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

542

Beethoven betrekking hebbende brievenverzamelingen van 1865 en 1867, waarvan trouwens tegenwoordig bijna geen exemplaren meer te verkrijgen zijn, zeer onvolledig en bevatten zij vele fouten, die door de latere navorschingen aan het licht zijn gekomen. Maar behalve dat, komt door een uitgave als deze alles bijeen, wat tot dusver op verschillende plaatsen verspreid lag, en zal dus de belangstellende thans een veel gemakkelijker overzicht hebben van dit voor de kennis van Beethoven's wezen zoo belangrijk materiaal.

In het prospectus der uitgave wordt gezegd, dat de waarde van dit werk, behalve op de toevoeging van tot nu toe nog niet gepubliceerde brieven, ook en in het bijzonder berust op de met groote zorg behandelde textcritiek en op de commentaren bij de brieven, die voor de verklaring der dikwijls raadselachtige uitlatingen van den meester onmisbaar zijn.

Wij kunnen daarop veilig vertrouwen, want Dr. Kalischer is geen nieuweling in deze materie; hij heeft op dit terrein zijne sporen reeds lang verdiend. In de muziekafdeeling der koninklijke bibliotheek te Berlijn berust wat men noemt „Beethoven's nalatenschap", van Otto Jahn, waaronder te verstaan zijn al de opteekeningen, afschriften, en dergelijke, die Otto Jahn, de schrijver der meesterlijke Mozart-biographie, voor het meerendeel in 1852 te Weenen gemaakt had ten behoeve van een Beethoven-biographie. Daaruit heeft Dr. Kalischer op verschillende tijdstippen brieven gepubliceerd; o.a. in de „Deutsche Revue" van 1898, in de „Sonntagsbeilagen der Vossische Zeitung" van 1889; verder autographische brieven van Beethoven, mede in de koninklijke bibliotheek te Berlijn bewaard, in de „Monatshefte für Musikgeschichte" van 1895 en 1896. Dit alles heeft hij met nog ander nieuw materiaal overgebracht in zijn boek van 1902, waarvan ik hierboven gewaagde, en het wordt thans ook in de nieuwe uitgave overgenomen. Voorts is hij de schrijver van enkele opstellen over Beethoven, zooals: Beethovens Frauenkreis(„RheinischeMusikzeitung" 1901 en „NeueBerlinerMusikzeitung" 1892), Beethovens Augen und Augenleiden („Die Musik" 1902) en Beethoven und der Preusische Königshof unter Friedrich Wilhelm III (tijdschrift „Nord und Süd" 1889).

De taak van hen, die het ondernemen, Beethoven's handschrift te ontcijferen, is niet van de gemakkelijkste. Zijn schrift munt in het algemeen niet uit door duidelijkheid, en bovendien had hij de gewoonte om dikwerf woorden af te korten en namen alleen door de initialen aan te duiden, zoodat het zelfs voor hen, die volkomen met 's meesters schrift en met zijne eigenaardigheden als briefschrijver vertrouwd zijn, niet zelden onmogelijk is na te gaan, wat zijne hieroglyphen beteekenen, en zij menigmaal hun toevlucht tot gissingen moeten nemen. Niet ieder van de geadresseerden heeft het hun zoo gemakkelijk gemaakt als Beethoven's vriend Anton Schindler, die vele van de gedeeltelijk of geheel onleesbare brieven en brief jes, welke hij van den meester ontving, op de keerzijde of aan den kant daarvan gecopieerd heeft en menigmaal gewichtige kautteekeningen daarbij plaatste.

Sluiten