Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE DEFENSIE VAN INDIË.

9

beschikt. Natuurlijk moet bij de keuze worden uitgegaan van bepaald noodzakelijke militaire eischen, waaraan geen afbreuk mag worden gedaan. Zoo moeten b.v.b. de onderzeebooten beschikken over ruime werkingssfeer, waaraan desnoods iets aan vaart en bewapening zal moeten worden opgeofferd. Bij de torpedobooten treden de nautische eigenschappen, bij de over het algemeen zooveel rustiger atmosfeer van Indië, minder op den voorgrond dan in Europa; ze kunnen dus in verhouding wat . kleiner zijn. Voor beide soorten vaartuigen werd daarom gerekend op eene waterverplaatsing van ongeveer 500 ton ; ik geloof dat dit voldoende kan zijn. Blijken overigens grootere eenheden bepaald noodzakelijk, dan kan bij behoud van dezelfde gevechtskracht het aantal worden ingekrompen, maar, nogmaals, meer kleinere eenheden zijn met het oog op eene goede verkenning en afsluiting te prefereeren boven minder grootere.

Het is niet mogelijk bij eene bespreking van vlootplannen voor Indië de zeemacht in Nederland buiten beschouwing te laten. Zoowel de aanbouw uit een fonds van de totale jaarlijksche bijdragen als het benoodigde personeel eischen, dat ook met dat deel der vloot rekening wordt gehouden.

De Staatscommissie 1912 acht voor oorlogstijd, behalve de torpedovloot en de 3 aanwezige pantserbooten, in Nederland noodig 1 pantserschip voor de Vliereede en 2 voor den Helder en beschikt daarvoor natuurlijk voorloopig over de bestaande pantserschepen type „Regentes" c.s. Voor diensten in vredestijd komt de Staatscommissie echter op een totaal van 4 pantserschepen en 2 pantserdekschepen.

Het is naar mijne meening buiten kijf dat de Staatscommissie tot dit groote aantal schepen voor vredestijd voor een goed deel is gekomen uit personeel-overwegingen. Ik kom hierop straks nog terug bij de bespreking van het personeel. Mij dunkt dat 3 schepen steeds in dienst en 1 in reserve zeker in de behoeften kunnen voorzien. Eén hiervan is bestemd voor vormingsschip. Aangezien het aantal Europeesche kanonniers zeer gering wordt, kan hierop tevens de artilleriecursus worden gehouden. Een tweede is uitsluitend doelschip der torpedovloot en het derde is beschikbaar voor reizen naar West-Indië enz. Men zal nader een geschikt type hiervoor moeten ontwerpen, waarbij ook met hun vredes-doel moet worden rekening gehouden. Met het oog op de daaraan verbonden groote voordeelen zou ik daarvoor hetzelfde type kruiser willen nemen als aangewezen voor Indië. Ik denk hierbij aan het Engelsche gepantserde type „Arethusa". Men kan dan de methode

Sluiten