is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 1, 1897 (1e deel) [volgno 13]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1076

Het spreekt van zelf, dat de Minister van het door den heer Van Kol voorgestelde denkbeeld van eene enquêtecommissie niets wilde weten, te minder waar de desbetreffende motie door de toelichting geworden was eene motie van wantrouwen in zijn persoon. Dit nu was wel zoo duidelijk niet gezegd, maar er was toch gezinspeeld op allerlei personcele belangen, die deze Minister en de maatschappijen met welke hij in aanraking is geweest, bij den Atjeh-oorlog zouden hebben.

„Toen ik schoorvoetend de portefeuille van Koloniën heb aanvaard," zeide de heer Cremer, „heb ik voorzien, dat men op die zaken wel eens zoude zinspelen, doch ik heb mij toen ook voorgenomen, mij daarover nooit boos te maken. Mocht dit dus misschien bedoeld worden, dan zal men zijn doel niet bereiken. Ik zal met de meeste kalmte dergelijke, laat ik maar zeggen: „vermoedens", aanhooren. Wanneer het mij te doen was geweest, direct of indirect financieel voordeel te bereiken, dan ware het voordeeliger voor mij geweest hier niet als Minister te gaan zitten."

Op de vraag, door mr. Troelstra insinueerenderwijs gesteld, of de Minister, als oud-voorzitter van verschillende maatschappijen, hem soms nadere inlichtingen kon verschaften over de particuliere belangen, bij den Atjehoorlog betrokken, verklaarde de heer Cremer zich gaarne bereid te antwoorden.

„Ten eerste dan als oud-voorzitter van de Koninklijke Paketvaart-maatschappij. In die qualiteit moet ik hem antwoorden, dat de Atjeh oorlog al jaren en jaren lang bestond, eer men dacht aan de oprichting van de Koninklijke Paketvaart-maatschappij; maar tevens, dat mijne ervaring als voorzitter is geweest, dat het verschaffen van schepen voor expeditie wel tijdelijk de kas dier maatschappij stijft, ofschoon niet in die mate als het was onder hare voorgangster, de Nederlandsch-Indische Stoomvaartmaatschappij , die geen contract had gemaakt omtrent