is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs jrg 7, 1892, no 11, 12-03-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

113

coëfficiënt = 0.5 slechts eene spanning van 527 KG. per cM2. in de schroefbouten behoeft te hebben, om een weerstand te krijgen gelijk aan de afschuivende kracht in de horizontale voegen. Deze spanning nu was aanvankelijk ruimschoots voorhanden.

De oorzaak van dit verschijnsel moet gezocht worden in de samendrukking, welke de belasting teweegbrengt in eene richting loodrecht op de vezel. Deze heeft ten gevolge, dat de aanvankelijke verlenging der schroefbouten, welke bij eene spanning van 800 KG. per cM2. nog slechts 0.3 miM. bedraagt, kleiner wordt en dus ook de spanning en wrijving zeer snel afnemen.

Daar de balken van drager I nog voor eene andere proef (IV) moesten gebruikt worden, werd later dezelfde proef nog eens herhaald met liggers van 4.80 M. spanwijdte en bestaande uit 2 balken, die op afstanden van 0.40 M. door sterk aangedraaide schroefbouten waren verbonden. Deze proef gaf in zooverre iets gunstiger uitkomsten, doordien men vond, dat de doorbuiging bij de in de practijk voorkomende spanningen in de uiterste vezel (100 KG. per cM2.) slechts ruim de helft bedroeg van die, welke men bij 2 los op elkaar liggende balken zou verkregen hebben. De weerstand, die hier werkzaam geweest is, wordt door Bock echter niet aan de wrijving, maar aan het scheefstaan der bouten toegeschreven: de breuk had plaats bij dezelfde belasting als bij 2 los op elkaar liggende balken.

Uit een en ander maakt Bock de gevolgtrekking, dat men de door de schroeven opgewekte wrijving niet behoort in rekening te brengen als een weerstand die in staat is een deel der afschuivende kracht op te nemen. Het aantal schroeven kan alzoo beperkt blijven tot die, welke uit een constructief oogpunt (het vastmaken van dwarsverbindingen enz.) en ter voorkoming van het omkantelen der klossen of wiggen volstrekt noodig zijn. Ook bij alle overige proeven bleek het, dat de schroeven bij toenemende belasting al spoedig los gingen; vooral was dit met de middelste schroeven het geval.

b. Dragers met wiggen. Bij proef II (Fig. 2) waren in elke voeg van elke liggerhelft 4 dubbele wiggen van goed droog eikenhout gedreven, die na elke belastingperiode met hamerslagen werden vastgezet. Deze ligger vertoonde gemiddeld eene 4.5-maal zoo groote doorbuiging als de theoretische ligger uit één stuk, en brak bij eene berekende spanning van uD = 1^1 KG. per cM2. of = 0.32-maal de berekende vastheid (440 KG. per cM2.) van den enkelvoudigen balk. De groote druk op de wiggen (volgens de gewone theorie 216 KG. per cM2.) welke met sterke indrukkingen van het hout gepaard gingen, werkte hier ongunstig.

Bij proef V (Fig. 3) werd daarom het aantal wiggen vermeerderd en tegelijk de diepte van de insnijdingen in de balken vergroot, zoodat het gezamenlijke rirukvlak der tanden 3-maal zoo groot was als bij drager II. Ofschoon de verhouding 8 : S0 van de gemeten tot de theoretische doorbuigingen nagenoeg evengroot bleef, was eene vermeerdering van de draagkracht hiervan een gevolg. De berekende spanning bij de breuk bedroeg hier ao = 191 KG. per cM2. = 0.43-maal de berekende vastheid van den enkelvoudigen balk. De wiggen vertoonden geen meetbare indrukken, ofschoon zij volgens de berekening met 95 KG. per cM2. belast werden.

c. Dragers met rechtopstaande klossen. (Fig. 4—6). Deze dragers, in Oostenrijk bekend onder den naam van <s.Klötzeltragen, worden daar onderscheiden in dragers met «rijvlak boven», met «rijvlak beneden» en met «rijvlak in het midden». Bij de eerste (Fig. 4) hebben alle voegen recht opstaande langsdraadsche klossen; bij de tweede (Fig. 5) zijn deze in de onderste, en bij de derde (Fig. 6) in de middelste voeg vervangen door de dwarsdragers der (brug-)constructie.

De dragers III (Fig. 4) vertoonden veel kleinere doorbuigingen en zijdelingsche verschuivingen dan de dragers met wiggen. Gemiddeld bedroeg de verhouding tusschen de waargenomen en de berekende doorbuigingen d : S0 = 3.15, terwijl de berekende spanning bij de breuk = 191°KG. per cM2. = 0.43-maal de vastheid van den enkelvoudigen balk werd gevonden.

De klossen waren niet merkbaar samengedrukt, ofschoon de berekende druk op den tand 185 KG. per cM2. bedroeg.

De drager VI (Fig. 5) met «rijvlak beneden» gaf eene iets grootere draagkracht (205 KG. per cM2.) dan de drager III, niettegenstaande zijne elastische doorbuiging veel grooter was {8 : S = 4.8) en de dwarsdragers sterke indrukken van 4 a 5 mM. "vertoonden. De grootere draagkracht wordt dan ook aan

meerdere sterkte van het hout toegeschreven en de toepassing dezer liggers, vooral ook wegens hunne groote blijvende doorbuigingen afgeraden. In de practijk zal bovendien de belasting ook op eene ongunstiger wijze op den ligger worden overgebracht (nl. door de dwarsdragers) als bij de proef, waar de belasting op den ondersten (eigenlijk bovensten) balk werkte.

De dragers VII (Fig. 6) met «rijvlak in het midden» behooren in deze rubriek eigenlijk niet tehuis, daar zij geen langsklossen, maar in de uiterste voegen dubbele eiken wiggen en in de midden voeg de dwarsdragers als verbindingsmiddel bezaten. Ten gevolge van de groote drukken loodrecht op de vezel (vooral op die van het zachte vurenhout der dwarsdragers) gaven zij groote elastische doorbuigingen (9-maal de theoretische), groote blijvende doorbuigingen en geringe draagkracht (147 KG. per cM2. = 0.33 X.vasltleid). Deze dragers zijn dan ook veel minder rationeel dan die met 3 balken, omdat in de middenvoeg veel grootere afschuivende krachten optreden dan bij de laatstgenoemde dragers, en ook omdat zij door het groote aantal insnijdingen veel moeilijker passend te bewerken zijn.

d. Dragers met balkijzerstukken en met gietijzeren schijven. (Fig. 7 en 8). Beide gaven geen bijzonder gunstige uitkomsten. De dragers met X-ijzerstukken van het profiel n». 20 waren zeer gemakkelijk te maken, maar gaven slechts eene draagkracht overeenkomende met eene berekende spanning van 146 K G. per cM2., daarentegen doorbuigingen, die nagenoeg even groot waren als voor de dragers met wiggen. Dit ongunstige resultaat wordt toegeschreven aan te geringe sterkte der middenrib; terwijl de flenzen toch volkomen aan de afschuivende kracht weerstand boden, bogen de middenribben co-voimig door. De uitkomsten zouden gunstiger geweest zijn, wanneer men een grooter aantal verbindingen en dikkere middenribben gebruikt had.

De liggers X (Fig. 8) met ronde gietijzeren schijven van 15 cM. middellijn, gaven nog grootere doorbuigingen (& : #0 = 6.9) bij nagenoeg gelijke draagkracht (overeenkomende met een theoretische spanning van 154 K.G. per cM2.). Voor het inlaten der schijven in het hout was door de firma Weiss & Sohn een werktuig geconstrueerd, waarmede ook ongeoefenden de gevorderde cylindrische uitsnijdingen gemakkelijk en volkomen zuiver konden maken.

e. Vertande dragers en dragers met schuine klossen. (Fig. 9 en 10). Zooals gebruikelijk is, werd aan deze liggers bij het afschrijven der tanden eene zeeg respectievelijk van 6 en van 5 cM. gegeven, zoodat vóór de belasting in de uiterste vezels spanningen heerschten tegengesteld aan die, welke de belasting daarin teweegbrengt. Beide dragers vertoonden veel geringere doorbuigingen en zijdelingsche verschuivingen dan de overige; en toch gaven zij slechts betrekkelijk weinig gunstiger uitkomsten wat betreft het draagvermogen. Zij braken n.1. bij eene berekende spanning respectievelijk van 233 en 239 KG. per cM2. == 0.53 a 0.54 maal de vastheid van den enkelvoudigen balk, alzoo ver beneden de waarde, welke men met het oog op de geringe zijdelingsche verschuivingen en op de aanvankelijke spanningen van tegengesteld teeken meende te mogen verwachten. Ook een tweede vertande drager, die met een geringere zeeg (3 cM.) was geconstrueerd, brak bij dezelfde belasting. Dit beschouwt Bock als een bewijs dat de gewone zienswijze — als zoude door eene bovenwaartsche zeeg de berekende spanning in de uiterste vezel met de grootte der aanvankelijke spanning kunnen vermeerderd worden — niet juist is. Wij volgen hier Bock niet in zijne vermoedens tot verklaring van het raadselachtige gedrag dezer liggers ; te meer niet daar — van het standpunt der oude theorie bekeken — in het gedrag der overige dragers evenveel raadselachtigs is gelegen. Daar toch zien wij evenzeer, dat bij liggers met kleine doorbuigingen en verschuivingen eveneens de verhouding van de werkelijke tot de theoretische draagkracht nagenoeg evengroot is als voor dragers, die aanzienlijk grootere doorbuigingen en verschuivingen vertoonen.

f. Overige proeven. Hieruit stippen wij slechts aan, dat voor de doorbuigingsvastheid van enkelvoudige vuren balken — gemiddeld uit 5 proeven — gevonden werd 440 KG. per cM2., voor de grens van veerkracht 200 KG. per cM2. en voor den elasticiteitsmodulus 2 = 117,000 KG. per cM2.; verder dat de drukvastheid van het vurenhout in de richting van den draad bedroeg 312 KG. per cM2. en loodrecht daarop 40 KG. per cM2; terwijl voor eikenhout deze cijfers respectievelijk 409 en 120 KG. per cM2. bedroegen. Voor de druk vastheid loodrecht op de vezel werd hierbij die waarde aangenomen, waarbij de blijvende verkortingen meer dan 10 °/0 bedroegen. De elasticiteitsmodulus voor de laatstge-