is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs jrg 7, 1892, no 43, 22-10-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

449

Fig. I.

De leidingen zijn gedeeltelijk boven- gedeeltelijk ondergronds aangebracht. De ondergrondsche geleidingen bestaan uit patent loodkabels van Siemens & Halske ; de bovengrondsche geleidingen zijn blanke koperdraden, die door middel van de gewone isolatoren aan masten of aan de huizen zijn bevestigd. De palen zijn hoogstens -40 M. van elkander verwijderd, en de draden hebben overal een onderlinge afstand van minstens 50 c.M. Ter voorkoming van ongelukken is de laagste draad nog 6'/2 meter boven de straat aangebracht.

De huisaansluitingen geven nog tot eenige opmerkingen aanleiding. Tusschen de beide uiterste kabels van het vijfleiderstelsel

Fig. II.

deelen van het vijfleiderstelsel te verdeelen ; verschilt de belasting in een der groepen aanmerkelijk van die der andere, dan zal de spanning niet constant blijven en zullen dus de lampen onregelmatig branden.

Men moet er dus voor zorgen, dat de lampen, die zoover men kan nagaan, op denzelfden tijd branden, gelijkmatig tusschen de vier deelen van het vijfleiderstelsel worden verdeeld. Bn het maken der huisaansluitingen moeten daarom bijzondere voorzorgsmaatregelen genomen worden.

Installaties tot een bedrag van 36 gloeilampen van 16 W. Jv. worden volgens het tweeleiderstelsel uitgevoerd, die van 3b tol 80 lampen volgens het drieleiderstelsel en, moeten er nog meer lampen worden aangebracht, dan wordt het vijfleiderstelsel ook in ™hn,,w WH toelast. In figuur II is een schema

afgebeeld van eene huisleiding van 36—80 lampen.

Van alle 5 verdeelingskabels in de straat, gaan dus vertakkingen in het huis en eindigen in een stroomverdeeler, waaruit zich verder de 3 leidingen in het huis vertakken. Bij iederen overgang van het drieleider- tot het tweeleiderstelsel bevindt zich eveneens een stroomverdeeler.

Men heeft het dus geheel in zijn hand de lampen in een der 4 groepen van het verdeelingsnet aan te sluiten, en kan men hierin steeds, wanneer dat noodig blijkt, verandering brengen

Ook bij het aanbrengen van motoren moet men op eene goede verdeeling acht geven; den kleineren motoren geeft men eene spanning van 110 en den grooteren al naarmate van hun vermogen 220, 330 of 440 Volts. Vooral waar vele motoren aan het net zijn aangesloten, biedt het vijfleiderstelsel dus belangrijke voordeelen, daar het bij grootere motoren de voorkeur verdient de spanning niet te laag te nemen. Mocht nu echter, M;„u *nn„A„ nonnomils wirzoro-smaatreselen. od een ae-

geven oogenblik door het plotseling uitdraaien van een aantal lampen in dezelfde groep, de belasting der 4 groepen ongelijk worden dan zorgt de z.g. «Ausgleich» machine, die m een der lokalen van het stadhuis is opgesteld, er voor, dat de overige lampen toch gelijkmatig branden.

Deze «Ausgleich» machine bestaat uit 4 dynamo's op eenzelfde as bevestigt, maakt 1650 omwentelingen per minuut en is volgens figuur III met het net verbonden. Ieder anker heeft dus een poolspanning. van 110 Volts, en wanneer de be-

Fig. III.

heerscht een spanningsverschil van 440 Volts, terwijl de 3 overige kabels het verdeelingsnet in 4 groepen verdeelen, waar dus overal een spanning van 110 Volts heerscht. Het komt er nu op aan de lampen zooveel mogelijk gelijkmatig tusschen de 4

lasting in alle vier deelen van het net gein kis, zullen de 4 dynamo's als motoren werken, terwijl m slechts zooveel electrischen arbeid zullen verbruiken als noodig is tot het overwinnen der wrijving enz. Zoodra echter de belasting m een der groepen kleiner wordt en daardoor de spanning stijgt, zal de betreffende motor meer arbeid opnemen, sneller gaan draaien en natuurlijk de andere motoren meenemen, omdat zij op een zelfde as ge-