is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs jrg 7, 1892, no 51, 17-12-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

544

geopend, als er schepen aankomen, terwijl de voetgangers en rijtuigen moeten wachten totdat zij weder gesloten zijn. De omstandigheid, dat de schepen op tij varen, scheen voorts oponthoud eer te voorkomen dan te bevorderen. De tijvaart veroorzaakt toch dat de schepen het Kanaal in den regel tegelijkertijd slechts in ééne richting bevaren, bij vloed in de Wester- en Oosterschelde van Wemeldinge naar Hansweert; bij eb in omgekeerde richting.

Overigens werd de verruiming der doorvaartwijdte van de bruggen geacht meer te strekken in het belang van Antwerpen dan in dat der Nederlandsche scheepvaart.

Verder werd gevraagd, welke werken noodig zijn voor het maken eener tweede opening in de bruggen en hoeveel de werken aan de drie bruggen te zamen zullen kosten".

Haven te Delfzijl. Art. 112. «Ten vorigen jare verklaarde de Minister in de Memorie van Antwoord dat hij ten aanzien van de verruiming der haven te Delfzijl geene beslissing wenscht te nemen dan na alvorens omtrent hare noodzakelijkheid nader de ondervinding geraadpleegd te hehben. Het had sommige leden bevreemd dat, terwijl voor de verbetering van den toegang tot de haven van Harlingen, een werk, waarvan de uitslag zeer onzeker is, groote sommen worden gevraagd, de Minister blijft nalaten voor de verruiming der haven te Delfzijl, welke, naar men meende, geene technische bezwaren oplevert en veel minder geld zou kosten, een krediet aan te vragen. Die verruiming werd geacht voor het Noorden des lands van groot belang te zijn. Het bezit in de de Beneden-Eems een uitstekenden vaarweg van meerendeels 10 meter diepte bij volzee, die door de samenwerking van Pruisen en Nederland goed verlicht en ook bij nacht veilig bevaarbaar is. Het ijs zet zich in de Beneden-Eems niet vast, behalve in de onmiddellijke nabijheid der haven, hetgeen bij eenige stoomvaart echter voorkomen kan worden. De provincie Groningen heeft groote sommen besteed ten einde de hoofdstad der provincie in verbinding te brengen met de haven van Delfzijl en met de kanalen der noordelijke provinciën. Groningen is bovendien met Delfzijl verbonden door het Damsterdiep en den Staatsspoorweg. Gelijk ten vorige jare in de Memorie van Antwoord is uiteengezet, onderhoudt het Rijk de haven van Delfzijl door tusschenkomst van de gemeente. Gezorgd wordt voor het gewone onderhoud; er is een betere kaaimuur gebouwd en de stroomgeulen worden opengehouden, maar in de laatste twaalf jaren is niets gedaan om, in verband met de toenemende grootte der schepen, de haven op eene diepte van 5.19 M. onder A.P. te houden, met uitzondering van een klein gedeelte, dat ook nog voor zwaai-, lig-, los- en laadplaats dient. Dit nu werd doodend geacht voor de zeevaart op Delfzijl. De kleine schepen moeten te veel vracht nemen, de groote blijven weg. Was er meer ruimte in de haven, dan zou er een overvloed van goederen voor de groote vaart komen. De aanvoer naar, en de afvoer van plaatsen aan den Boven-Eems zou dan plaats hebben over Delfzijl, en de provincie Groningen zou voor haar in- en uitvoer veel minder te betalen hebben dan bij den af- en aanvoer over Holland. Het kanaal van Groningen over Lemmer is ook zeer onvoldoende en bezwaard met hooge tollen. In de laatste jaren kwamen te Delfzijl reeds meermalen schepen aan, waarvan de lading gedeeltelijk voor het noorden van ons land, gedeeltelijk voor Oost-Friesland bestemd was. Op spoedige verruiming van de haven te Delfzijl werd om deze redenen door deze leden met nadruk aangedrongen."

Raad van toezicht op de spoorwegdiensten.

Art. 124. »Niet,algemeen was men ingenomen met de benoemingen van een voorzitter en twee leden van den Raad van Toezicht op de spoorwegdiensten.

Ten aanzien van den voorzitter werd opgemerkt, dat, na de ten vorigen jaren door den Minister gegeven verklaring dat hij een geschikt persoon had gevonden, de benoeming van iemand, die óf met spoorwegzaken of met de handelsbelangen van nabij bekend was, verwacht had mogen worden. Benoemd werd intusschen een hoofdambtenaar van het Departement van Financiën.

Hiertegen werd aangevoerd, dat de benoemde wegens het groote aandeel, dat hij had gehad aan de behandeling der overeenkomsten met de beide groote spoorwegmaatschappijen, als alleszins geschikt voor de betrekking was te beschouwen.

Ten aanzien van de benoeming der leden werd de bedenking ingebracht, dat het de voorkeur hadde verdiend personen te benoemen, die geschikt waren de belangen van den handel, van den landbouw of van de posterijen in den Raad te vertegenwoordigen. Meer bijzonder kwam men op tegen de benoeming tot lid van een ingenieur, die met spoorwegzaken niet bekend kon worden geacht, ofschoon, naar men onderstelde, de Raad van Toezicht toch wel deskundigen ter benoeming zou hebben voorgedragen. Enkele leden meenden dat het instellen van een handelsraad, die den Raad van Toezicht van advies zou kunnen dienen, aanbeveling verdiende.

Verder werd door eenige leden opgemerkt dat terwijl de wedden van den voorzitter met f 2000 en die van de leden met f 1300 verhoogd zijn, het traktement van den secretaris slechts met f 500 is vermeerderd. Deze leden achtten het billijk de wedde van den secretaris alsnog ^™e^ f 500 te verhoogen en dus zijne bezoldiging te brengen op f 3500. I hans bedraagt de wedde der aan den Raad" toegevoegde ingenieurs nog f 200 meer dan die van den secretaris.

Aangedrongen werd op spoediger uitgaven van het jaarlijksch verslag van den Raad van Toezicht. J J

Gevolgen d,er nieuwe spoorwegovereenkomsten. Door vele leden werd geklaagd over de werking der nieuwe spoorwegovereenkomsten. Men betoogde, dat geen van de gunstige gevolgen, bij de behandeling dier overeenkomsten voorgespiegeld, verwezenlijkt was. Zoo is van de in uitzicht gestelde verlaging van tarieven tot dusver niets gekomen. En men was huiverig daarop thans aan te dringen, omdat dit een nadeeligen invloed zou hebben op de uitkomsten der exploitatie van de twee groote spoorwegmaatschappijen, welke uitkomsten reeds zóó ongunstig zijn, dat de aandeelhouders, met name die van de Hollandsche maatschappij, wellicht zoo spoedig mogelijk gebruik zouden maken van het recht om den Staat tot naasting te dwingen. Gevraagd werd wat de Regeering in dat geval dacht te doen; of zij, wanneer de Hollandsche Maatschappij naasting verzocht, dè geheele exploitatie aan de Maatschappij tot exploitatie van Staatsspoorwegen zou willen opdragen, dan wel gestemd was voor de invoering van Staatsexploitatie. Er was overigens, naar de meening dezer leden, geen beter bewijs te leveren van de ondeugdelijkheid der overeenkomsten dan het feit, dat de spoorwegmaatschappijen zóó geringe winsten maken, dat men nu reeds op verplichte naasting bedacht moest zijn.

Bij de behandeling der spoorwegovereenkomsten is ook uitzicht gegeven op het beletten van de veelvuldige misbruiken, bestaande in het ontduiken van tarieven voor goederenvervoer door het geven van restitutiën. Dit bleef, naar men meende, intusschen op groote schaal

geschieden. De concurrentie tusschen de spoorwegmaatschappijen in

dit opzicht zijn de bezwaren bij de behandeling der spoorwegovereenkomsten gemaakt vooralsnog niet bewaarheid — is in de laatste jaren nog verscherpt en heeft het geven van restitutie bevorderd. Gevraagd werd, of door invoering van lage algemeene tarieven voor het goederenvervoer dit kwaad niet zou worden kunnen beperkt. Waar men daartegen aanvoerde, dat dan toch restitutie zou verstrekt worden, omdat anders aan vervoer te water de voorkeur zou gegeven worden, werd hierop geantwoord, dat het dan dubbel noodig was tegen deze restitutiën te waken, aangezien op die wijze de schipperij zou vernietigd worden, terwijl, als dit geschied zou zijn, de tarieven weder hooger zouden worden.

Van verschillende zijden werd verder de meening geuit, dat voor de eigendommen der Rijnspoorwegmaatschappij een veel te hoogen prijs was betaald. Het bleek meer en meer, dat die maatschappij een desolaten boedel had achtergelaten. Vermeld werd, dat de toestand van den weg van 's-Gravenhage naar Utrecht zoo slecht was bevonden, dat men zich over het uitblijven van ongelukken grootendeels verwonderde. Verreweg de meeste dwarsliggers waren geheel vergaan. De brug over den IJssel bij Westervoort eischt eene geheele vernieuwing. De toestand van de brug over de Gouwe was zeer slecht gebleken, terwijl ook die van vele andere groote en kleine bruggen veel te wenschen scheen over te laten. Het bedrag van f 800,000, bestemd voor de vernieuwing van de baan en den bovenbouw van den weg van den Rhijnspoorweg, zou dan ook op verre na niet toereikend zijn. Wat daaraan meer wordt besteed, komt evenals het nadeelig verschil tusschen de waarde, waarvoor het materieel werd overgenomen en de werkelijke waarde, bij naasting ten nadeele van den Staat. De meening werd uitgesproken dat indien men bij de behandeling der spoorwegovereenkomsten geweten had, hoe het met de zaken van den Rhijnspoorweg gesteld was, die overeenkomsten niet zouden zijn aangenomen en van het geven eener som van ongeveer 7 millioen aan die maatschappij wegens vervroegde naasting wel geen sprake zou zijn geweest.

In verband met het voorafgaande werd op spaarzaamheid ten aanzien van het maken van spoorwegwerken en op groote voorzichtigheid ten aanzien van het verleenen van goedkeuring voor door de spoorwegmaatschappijen gewenschte werken met nadruk aangedrongen. Gaarne zou men jaarlijks een staat ontvangen, de eerste maal het tijdperk sedert de goedkeuring der spoorwegovereenkomsten omvattende, waarin vermeld worden alle spoorwegwerken welke de Regeering zelve uitvoert en verder alle werken, die met goedkeuring der Regeering worden uitgevoerd en de kosten van die werken. Voor zoover zij nog niet zijn uitgevoerd, ware de raming der kosten mede te deelen, welke mededeeling na de uitvoering ware aan te vullen met vermelding deiwerkelijk gedane uitgaven. Kon zulk een staat bij de Memorie van Antwoord nog niet worden overgelegd, dan zou . men daarbij toch gaarne zoo nauwkeurig mogelijk worden ingelicht omtrent de uitbreidingswerken, welke de Minister voor rekening van den Staat wenscht te doen uitvoeren, en omtrent die, waarvoor hij toestemming heeft gegeven en die, waaromtrent zijne goedkeurig is gevraagd.

Men vroeg verder, of bij het Departement een rekeningstaat wordt aangehouden van de door de spoorwegmaatschappijen met toestemming van den Minister uitgevoerde werken en of de noodige maatregelen zijn genomen dat bij naasting over de afrekening voor uitbreidingswerken geene moeilijkheid kan ontstaan.

Andere leden konden zich met de tegen de nieuwe spoorwegovereenkomsten geopperde grieven niet vereenigen. Huns inziens waren die overeenkomsten nog te kort in werking om over de resultaten te oordeelen. Zij meenden dat over eenige jaren de daarvan verwachte voordeelen zich zouden vertoonen. Verder wezen zij op de omstandigheid, dat, indien de beide groote spoorwegmaatschappijen slechte zaken gemaakt hebben, de directiën in hare verslagen de nieuwe regeling geenszins betreuren. De opbrengst per kilometer was voorts iets toegenomen en, indien de uitkomsten onvoldoende waren, dan was dit voor een deel het gevolg van de hoogere eischen door het personeel ten aanzien