is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Vijftigjarig jubileum van de Koninklijke Akademie en Polytechnische school te Delft-4januari 1893. jrg 7, 1892, no 54 [Bijlage]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13

que le médecin, doit avoir trois sortes de savoir: 1°. Ie savoir, qui s'acquiert par 1'étude; 2°. le savoir vivre; 3°. le savoir faire. Dit alles is slechts eene bevestiging van wat wij reeds wisten: de erkenning van het bestaan der dualistische richting van het EL. O., althans voor medici.

Maar wat later volgt is de erkenning van de voortduring van dien strijd, voor de medici ten minste, ook na de Wet van 1876. Men luistere slechts:

„Bovendien is tegenwoordig, door den nood gedrongen, het ondersvijs dat u gegeven wordt, zoodra gij het candidaats"examen achter den rug hebt, in hoofdzaak practisch onder» "wijs. Ik voor mij betreur dat feit in de hoogste mate, maar "ik zie niet in dat het, gegeven de bestaande toestanden, te

„veranderen is.

,Waren er tweeërlei soort van geneeskundigen, dan kon er , ook tweeërlei soort van opleiding zijn, één uitsluitend op de "practijk gericht en één waarbij het wetenschappelijk element "der geneeskunde op den voorgrond treedt. Doch het is niet "zoo en ik vrees dat de aangekondigde verandering der z. g. "artsenwet ook de door mij bedoelde en eene verbetering "geachte verandering niet brengen zal."

Is er meer noodig om het bewijs te leveren, dat er in den waarachtigen aard van het onderwijs wat medici en ingenieurs betreft, in werkelijkheid geen verschil bestaat? Laat ik U dan nog ten slotte het beeld van den student medicus van Vissering voor den geest mogen roepen :

„De medicus is vooral matter of fact man. De zuiver theoretische studiën trekken hem weinig aan, maar voor alles "wat onmiddellijk tot zijn vak betrekking heeft is hij vol Rijver en dikwijls toonen deze brave jongens, reeds als studenten vervuld te zijn van die zelfverloochenende liefde "voor de plichten, die hun beroep van hen als mannen zal „vorderen" enz.

Zal men na het bovenstaande nog durven ontkennen, dat

de ingenieur voor zijne siuaie mmsuens ueicuuc 0,0,11^^10,^^ op het H. O. kan doen gelden als de medicus?

Onhoudbaar is m. i. de bewering, dat een principieel verschil tusschen beider studiën bestaat, en indien het mij gelukt is daarvan de overtuiging bij U te doen ontstaan of te bevestigen, dan zult gij mij dit uitstapje op een bijzonder gebied van H. O. wel willen vergeven, ter wille van de aanwijzing van één zwak punt, bij de tegenstanders der overbrenging van het onderwijs aan de P. S. naar het H. O.

Ik keer nu tot het H. O. in het algemeen terug. Wat is dan eigenlijk het karakter van H. 0. ? Mijne persoonlijke onbekendheid als ingenieur met het onderwerp moge het verontschuldigen wanneer ik U verzoek om met mij nog eens de paden te bewandelen, waarop ik naar oplossing heb gezocht en U kortheidshalve nog eens met citaten vermoei.

Op de vraag: „Worin liegt das Wesen der Hochschule ?" wordt in den Akademischen Kalender für die Deutsch-Oesterr. Hochschulen für 1891/92 kort en bondig geantwoord:

„In der Art der Unterweisung. Hier wird Wissenschaft „gelehrt, das heisst nicht eine beliebig grosse oder kleine ï,Summe von Kentnissen, sondern vollstandige Erkenntniss i'.über den Gegenstand der Lehre".

Niet minder kort is de definitie die Stuart Mill aan de Universiteit ten grondslag wil gegeven hebben:

„Opvoeding voor het geestelijk leven in zijne hoogste ontwikkeling". , .

Duidelijk zal ons de toepassing worden, wanneer ik hier overneem de slotsom van de studie die Vissering aan de beschouwing van Stuart Mill over het H. O. wijdt en die door hem weder wordt ontleend aan het rapport eener commissie van het H. O. in 1828 :

„Voor allen, welke door dorst naar kennis gedreven worden, „moet aan de Hoogeschool gelegenheid zijn om te verkrijgen „wat zij verlangen, zonder dat eenig bijkomend oogmerk in "hen behoeft verondersteld te worden. Uit dit oogpunt beschouwd, dragen de Hoogescholen veel bij tot den luister, "de beschaving en den bloei van een land. Het nut, dat zij ,,op deze wijze aanbrengen, moge voor velen niet merkbaar "zijn, het is' niet minder wezenlijk en gewichtig en behoort ^des te meer door eene verlichte Regeering op prijs gesteld „te worden, naarmate het minder gewaardeerd wordt door de "groote menigte, welke, aan hooge beschaving vreemd zijnde, "zelfs niet vermoeden kan, hoe de geleerden hun leven voor „de wetenschappen kunnen aanwenden. Van de andere zijde „is de bestemming der Hoogescholen, om bekwame Staatsdienaars en Staatsburgers te vormen, niet minder gewichtig.

„Tot dezelve behooren al diegenen welke hoogere wetenschappelijke kundigheden behoeven en waarvan men om „die reden zegt, dat zij tot de geleerde standen behooren. De „Staat kan wel niets gewichtigers hebben, dan dat die talrijke klasse, welke als het ware de bloem der natie uitmaakt, goed gevormd worde, het lot van alle andere klassen „hangt voor een groot gedeelte daarvan af" enz.

Indien het mij gelukt is U het wezen van het H. O., volgens de opvatting van bevoegde beoordeelaars duidelijk te schetsen, dan zal ik thans in weinig woorden het doel, dat ik mij voorstelde met deze uitwijding te bereiken, kunnen aangeven.

De innige verwantschap tusschen H. O. en het onderwijs der P. S. meen ik te zien in den eeuwigdurenden strijd tusschen de beide richtingen, die het dualistische karakter van het H. O. bepalen, waarvan zich, hoewel minder sprekend, doch voldoende duidelijk, eveneens bij het onderwijs aan de P. S. de kiemen openbaren.

Reeds wees ik er vroeger op, dat aan de P. S. zoowel mannen der wetenschap als mannen voor het practische maatschappelijke leven werden opgeleid. Dit eerste gewichtige feit valt niet te loochenen en het kan m. i. slechts de vraag zijn of in die richting niet, op het voorbeeld van Duitschland, althans van de Techn. Hochschule te Dresden, verder moet worden voortgegaan, door het onderwijs tevens bepaald ^;o,-,Q+v,QaT +0 maVon Mn rtf onleidinp- der toekomstige leera¬

ren en Hoogleeraren van de P. S. en van inrichtingen tot het geven van M. O. De kiemen van den strijd, waarop ik doelde, zie ik o. a. in de vergelijking tusschen het ideaal waarvan Vissering droomde en een deel der wenschen, die worden uitgedrukt in het adres van het Bestuur der Vereeniging in 1881, waarop ik bij de ontwikkeling van ons werkplan later terugkom. Of is er niet overeenstemming waar te nemen tusschen de wenschen van Vissering : „Alzoo geen „studieplan meer? Geen regel of voorschrift? Geene verplichting tot het geven of bijwonen van bepaalde lessen? Geene ^testimonia? Geen examens? Geene akademische graden_als ',voorwaarden van toelating tot de hoogste maatschappelijke „betrekkingen ?"

en de volgende, m. i. niet minder idealistische beschouwingen — ik hoop dit bij het werkplan nader aan te toonen — van het Adres :

„Inderdaad is de studie van den technicus zoo veelzijdig „en zoo uitgebreid, dat het niet wel mogelijk is, om zich in „alle richtingen dier wijdgetakte wetenschap te bekwamen.

„Daarentegen is het 'hoog noodig, dat ieder, die roeping „gevoelt, zich meer bepaald in eenige richting te bewegen, „ook gelegenheid vindt om aan die inrichting van onderwijs ",meer kennis te vergaren, dan een encyclopedisch overzicht „kan geven.

„Het Bestuur verlangt — en hierop wensch ik den Klemi„„„«r» rroon nit.hrfiirlincr van de examennroerramma's.

„maar gelegenheid voor de studeerende jongelingschap, om „zich in meer richtingen grondig te bekwamen".

Vergis ik mij als ik meen, aan het gemeenschappelijk voorkomen van deze dualistische richting, zooals wij die wenschen en zij reeds ten deele bestaat, d. i. juist van de karakteristieke eigenschap, die het H. O. als _ zijn bizonder eigendom reserveert,"het recht aan de oude faculteiten wenscht te ontzeggen om ons ingenieurs niet als hunne gelijken te erkennen?

Dat dit het geval moet zijn is buiten kijf.

Men hoore slechts wat Vissering zelf zegt: „De wet op het L O. heeft eerst de beide grondslagen gelegd voor algemeene „volksontwikkeling; de wet op het M. O. heeft daarna de „middelen geschapen om de beschaving onzer burgerklasse „tot hooger peil op te voeren, de wet op het H. O. zal nu „de degelijke wetenschappelijke vorming van de bloem der „natie hebben te verzekeren". .

Al wil ik nu gaarne aannemen, dat hier vermoedelijk 111 het geheel niet aan de P. S. is gedacht, dan nog valt het moeilijk om niet pijnlijk te worden aangedaan wanneer bijna 100 jaren na de Fransche revolutie, een Nederl. hoogleeraar, aan wiens groote verdiensten op dit gebied ik overigens slechts hulde heb willen brengen, nog van grenslijnen gewaagt, waarbij M. O. voor de burgerklasse en H. O. voor de sbloem der natie" wordt aangewezen.

Van dergelijke willekeurige onderscheiding kan thans geen sprake meer zijn, Gymnasium en H. Burgerschool, Universiteit en Polytechnische School staan beide open voor dezelfde burgers van het land.