is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 2, 14-01-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17

M *.

INGEZONDEN STUKKEN. Gas of elektriciteit.

Mijnheer de Eedacteur!

Het zij mij vergund, naar aanleiding van de opmerkingen van den heer A. Vosmaer over hetgeen onder bovenstaanden titel in n°. 53 van den vorigen jaargang van Uw Weekblad verschenen is, eenige beschouwingen te houden.

Al mag volgens sommigen, hetgeen door den heer van der Breggen weergegeven is, te populair voor een technisch tijdschrift zijn, dan zal toch niemand kunnen beweren, dat de gegeven cijfers ver bezijden de waarheid liggen, daarover worden ook door den heer Vosmaer geen tegenwerpingen gemaakt.

De voornaamste redenen waaruit de conclusie getrokken wordt, dat vooral voor kleine gemeenten elektrisch licht boven gasverlichting te verkiezen is, meen ik te mogen bestrijden.

Zü luiden in het kort:

Ten eerste. Omdat de behoefte aan licht en de gemakzucht steeds grooter wordt ? Als in een kleine gemeente, wat zeker het geval is, een gasgloeilicht van jr 40 kaarsen lichtsterkte tegen denzelfden prijs wordt aangeboden als een elektrisch gloeilicht van 16 kaarsen, dan is het toch zeer eigenaardig, dat men alleen ter wille der gemakkelijke ontsteking het laatste kiest.

Ten tweede. Omdat na afloop van het patent Auer de gloeikousjes tot de geschiedenis zullen gaan behooren! daar er dan vele fabrieken zullen verrijzen, die alle onbruikbare kousjes maken. Na de uitvinding van het patent Auer werden hier te lande zeer spoedig de kousjes nagemaakt, Welke door goedkoopere prijzen velen verlokten ze aan te koopen.

De diverse fabrikanten trachten, aangespoord door hevige concurrentie, steeds het beste voor zoo gering mogelijken prijs aan te bieden. Al heeft men nu met een namaker slechte ondervindingen opgedaan, dan is het toch niet billijk allen over één kam te scheren.

Uit eigen praktijk is mijne ondervinding, dat het gebruik van die namaakkousjes op een 3500-tal branders voor binnen- en buitenverlichting, sinds eenige jaren naast eene uitstekende verlichting een belangrijke besparing gaf.

Het komt er maar op aan door eene juiste keuring de goede soort uit te kiezen. Het aangegeven motief zou zeker ook van toepassing moeten geweest zijn op de elektrische gloeilampen. Mij is echter niet bekend, dat het afloopen der patenten van dit fabrikaat in het buitenland de ondergang der gloeilampjes heeft ten gevolge gehad. Ik weet alleen dat ik voor denzelfden prijs nu drie stuks krijg tegen vroeger één.

Bij de ieder oogenblik voorkomende nieuwigheden op het gebied der verlichting, kan niemand zeggen dat het Auerlicht zich in de toekomst zal blijven handhaven; dat het echter om de door den heer Vosmaer opgegeven reden zal verdwijnen, meen ik te mogen betwijfelen.

Ten derde. Omdat er procentsgewijze zulk een groot aantal concessie-aanvragen voor elektrische verlichting bij kleine gemeenten inkomen. Ik meen opgemerkt te hebben, dat het aantal agenturen van buitenlandsche elektrische fabrieken hier te lande sterk toegenomen is, door hunnen invloed worden de tegenwoordig zoo gemakkelijk op te richten verlichtings-maatschappijen gesticht, met het doel zooveel mogelijk elektrische toestellen te verkoopen.

Concessiën in groote gemeenten, die hare eigen gasinstallatiën hebben, kunnen niet anders dan tegen zeer verzwarende voorwaarden verkregen worden, omdat de gemeentebesturen hun groote bron van inkomsten niet in gevaar willen brengen.

Men moet zich dus op de kleine gemeenten zonder gasverlichting werpen.

Een meerderheid bij den gemeenteraad voor het verleenen deiconcessie is spoedig gevonden, doordat de zuinige leden verlokt worden door eene aanneming der publieke verlichting voor minder dan de bestaande, terwijl andere meer gefortuneerden het prachtig vinden elektrisch licht in hun huis te krijgen, en zich reeds electricien gevoelen wanneer zij door het omstellen van den uitsluiter hun kamer aan de duisternis kunnen ontrukken.

Dat de elektrische verlichting voor de meest voorkomende eenvoudig levende dorpsbewoners te duur zal zijn wordt echter over het hoofd gezien.

Gasfabrieken bestaan reeds langen tijd en men weet dat in

kleine gemeenten nimmer groote zaken te maken zijn, om de eenvoudige reden, dat de omzet veel te gering, en de steenkolengasbereiding voor een klein bedrijf te gecompliceerd is-

Hier te lande bestaan echter enkele petroleumgasfabneken welke door den eenvoud van aanleg en bedrijf sinds jaren een behoorlijke winst afwerpen en buitendien aan het publiek een verlichtings-, verwarmings- en kookmiddel aanbieden tegen een prijs, die met electriciteit niet te verkrijgen is.

Komt het voor dat de aanbiedingen van sommige elektrische maatschappijen dit loochenen, dan kunnen de aandeelhouders vrij zeker zeer lang naar eenig dividend blijven uitkijken.

Mijns inziens zouden de gemeentebesturen in stede van zich voor lange jaren in de armen te werpen van den elektnschlicht-concessionnaris verstandiger doen op eigen risico een eenvoudige gasfabriek te bouwen, die voor het groote deel deibevolking van meer prachtisch nut zal zijn. De meer gefortuneerde inwoners kunnen zich dan wellicht elektrisch licht verschaffen door in onderling overleg een kleine centrale te bouwen, gedreven door een gasmotor.

U dankzeggende, Mijnheer de Redacteur, voor de verleende plaatsruimte,

Hoogachtend

Utrecht, 10 Januari 1899. M. L. Bleuland van Oordt.

STATE N-GENER AAL.

DE WATERSTAATSBEGROOTING VOOR 1899.

DEBAT TWEEDE KAMER. (Vervolg van bladz. 8.) Over kanalen werd nagenoeg niet gesproken. Alleen wees de heer Smeenge op de bezwaren, die voor de binnenvaart voortvloeien uit het recht van vóór■schutting van rijnschepenbij de sluizen te Vreeswijk en te Utrecht van het Merwedekanaal. De Minister beloofde de dikwerf tegenstrijdige belangen zooveel mogelijk te zullen behartigen maar verklaarde tevens dat zonder verbetering der schutmiddelen (bouw van een tweede sluis te Utrecht en in eigendom verkrijgen der sluis te

Vreeswijk) geen afdoende verbetering in den toestand te verzijgenis>. Wij hopen hartelijk dat men de bakens zal verzetten eer het getij gaat verloopen. Liever dien weg ingeslagen dan, zooals de heer Smeenge in zijn repliek aanbeval, de zich ontwikkelende rijnvaart in slechter positie te brengen door haar recht van voorschutting weèr te gaan

^Êen^korte woordenwisseling tusschen den heer Lieftinck en den Minister over een onderdeel der regeling van den vischafslag te IJmuiden meenen wij even als de verwerping van het voorstel tot aankoop van een huis noodig geacht voor uitbreiding der bureaux van Buitenlandsche Zaken en door het hoofd van dat Departement verdedigd, meenen wij voorbij te mogen gaan, om zoodoende te komen tot de Rubriek Spoorwegen.

Ook ditmaal kwam hierbij een rijke verscheidenheid van onderwerpen ter sprake. Wie van de debatten het essentieele wenscht te vernemen, leze de hier volgende rede van den Minister, waarin de verschillende sprekers beantwoord werden.

ȃr zijn verschillende klachten geuit over de dienstregeling. Er moesten meer treinen loopen in Groningen en in den Haag. Men moet echter niet uit het oog verliezen, dat wij geen Staatsexploitatie hebben en de particuliere exploitatie medebrengt dat de maatschappijen, die de spoorwegen exploiteeren, slechts dan meer treinen laten loopen, als haar eigen belang dit medebrengt.

Alleen voor zoover zij gebonden zijn aan contractueele bepalingen, zijn zij verplicht om, wanneer de loop van meer treinen geen voordeel geeft, toch de treinen in te leggen. Indien men er dus over klaagt, dat op zekere vakken niet meer treinen loopen, dan geld dit verwijt meer de spoorwegovereenkomsten dan de Regeering, die met het reent heeft meerdere treinen te eischen. Dit geldt ook het verbindingslijntje te 's-Gravenhage. Volgens art. 13 van de spoorwegovereenkomsten kan de Regeering slechts 5 treinen in elke richting eischen en is de maatschappij niet verplicht er meer te laten loopen, indien haar vooraeei het niet medebrengt. Dat dit niet het geval is, blijkt hieruit, dat aeze treinen gewoonlijk slechts zeer weinig reizigers vervoeren, zooaet u Regeering de maatschappijen niet kan dwingen en haar bezwaarlijk kunnen bewegen meerdere treinen in te leggen.

Een dergelijk antwoord zou ik aan den heer Zijlma kunnen £ betreffende de lijn Groningen—Leeuwarden. Intusschen is net mij wijls gelukt door aandringen een en ander van de maatscMiPP j daan te krijgen, waartoe zij niet verplicht was, en ik vlei mij het groote belangen geldt, zooals het marktbezoek, «Jat doo6 achten afgevaardigde uit Enkhuizen, den heer Kool, en het chooloezoeK dat doorben heer Ziilma is besproken, in£ algemeen belang eenige meerdere treinen te laten loopen , haar voordeel het niet medebrengt. Tndien de crearhtp

De heer Schepel besprak het station te Sauwerd ïn^^te afgevaardigde de diensteegehng, d.e den ^ .

is getreden wil vergelijken met die van x ^ „PhaA n„

blijken dat een aanmerkelijke verbetering heeft plaats gehad. Op mijn