is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 10, 11-03-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M ÏO.

120

pende bepalingen zijne toevlucht te nemen, waar bij de uitvoering van openbare werken slechts in uiterst zeldzame gevallen de moeilijkheden zich hebben voorgedaan, waarvoor hier een middel tot oplossing wordt gezocht. Beter kwam het voor, in die enkele gevallen het conflict door eene speciale wet te doen beëindigen. — Eindelijk werd er de aandacht op gevestigd, dat het wetsontwerp verder gaat dan het ontwerp der Staatscommissie, ingesteld tot het dienen van advies ten aanzien van de regeling van het waterstaatsbestuur. Die Commissie beval de voorgedragen bepalingen alléén aan voor den aanleg van waterstaatswerken; het Regeeringsvoorstel heeft betrekking ook op andere openbare werken. Hoe meer echter de strekking van het ontwerp werd uitgebreid, des te meer klemden de geopperde bedenkingen.

Vele andere leden konden zich in beginsel met het wetsontwerp vereenigen en verklaarden de wederindiening daarvan met genoegen te hebben gezien. Het kwam hun voor, dat in onze wetgeving niet langer een regelmatige weg mag ontbreken, om uit moeielijkheden te komen, als waarop in de Memorie van Toelichting wordt gewezen. Dezerzijds kon niet worden toegegeven, dat die gevallen zoo uiterst zelden voorkomen, als door de bestrijders der Regeeringsvoordracht gezegd werd. Dat hier eene inbreuk op het beginsel van autonomie wordt voorgesteld, werd door velen beaamd; maar die inbreuk scheen onvermijdelijk om te waarborgen, dat werken van openbaar nut niet kunnen worden belemmerd door verzet van locale autoriteiten. Het plaatselijk belang moet wijken voor het algemeen belang. Te meer grond is er. te dien aanzien eene wettelijke regeling tot stand te brengen, omdat in de practijk het beroep op het plaatselijk belang niet zelden meer of min als voorwendsel strekt om financieel voordeel te bedingen van dengeen, die het werk onderneemt. Het middel, waartoe de Regeering in 1869 hare toevlucht nam om het verzet van den Zuidplaspolder te breken, mag wel als bewijs strekken, dat men hier inderdaad met eene leemte in ons geldend recht te doen heeft. Aanvulling van die leemte op andere wijze dan wordt voorgesteld achtten de leden, hier aan het woord, niet wel mogelijk. Nu in het ontwerp, zooveel doenbaar, waarborgen zijn opgenomen, dat van de toegekende bevoegdheden tot het opheffen van belemmeringen niet buiten noodzaak en op voorzichtige wijze zal worden gebruik gemaakt, —■ waar toch bij geschil eene contentieuse behandeling in twee instantiën is voorgeschreven, terwijl door het stellen van voorwaarden voor eventueel bedreigde locale belangen kan worden gewaakt — schenen van aanneming van deze voordracht geene gevaren voor de autonomie der publiekrechtelijke corporatiën te duchten. Te minder bestond daartoe aanleiding, nu de gemeenten en waterschappen krachtens art. 5 van het ontwerp op hunne beurt het profijt der regeling zullen genieten.

In ééne afdeeling werd het gevoelen uitgesproken, dat de strekking van het wetsontwerp te zeer beperkt is, doordien alléén regels gesteld zijn tot opheffing der belemmeringen, uit bepalingen van verordeningen voortspruitende. Andere conflicten, bij de uitvoering van openbare werken gerezen wegens strijd van belangen of strijd van publiekrechtelijke bevoegdheden, zullen dus op de hier voorgedragen wijze niet kunnen worden opgelost. Toch is het ook voor dergelijke gevallen een juist beginsel, dat het eene bestuur, de eene autoriteit, de ter bevordering van het algemeen belang door een ander bestuur of autoriteit ondernomen werken niet moet kunnen verijdelen of belemmeren. Of de rechtsgrond van het verzet is de bepaling eener verordening, dan wel eene bevoegdheid aan een bestuur als zoodanig toekomende, is hierbij onverschillig. Het gevolg van de beperking van de bij dit wetsontwerp voorgestelde regeling is, dat een bestuur van slechter conditie kan zijn, wanneer het omtrent eenig onderwerp eene verordening heeft uitgevaardigd, dan wanneer die verordening ware achterwege gebleven. Gesteld, bij de uitvoering van een openbaar werk is het noodig eene buis te leggen door een dijk, die onder beheer staat van een waterschapsbestuur. Is er nu een waterschapskeur, die het leggen van buizen door dien dijk verbiedt, dan zal de uitvoerder van het werk de tusschenkomst van Gedeputeerde Staten, in hooger beroep van den Koning kunnen inroepen. Maar bestaat dergelijke bepaling niet, en verzet het waterstaatsbestuur zich als publiekrechtelijk beheerder van den dijk tegen de voorgenomen buislegging, dan kan die moeielijkheid niet langs den hier voorgeschreven weg worden uit den weg geruimd. Denkt men hierbij aan het geval, dat de grond privaatrechtelijk behoort aan particulieren, doch bezwaard is met een publieken last, bijv. van weg of van waterkeering, daar biedt ook de onteigeningswet geen uitkomst. De leden, die dit in het midden brachten, waren, op grond van een en ander, van oordeel, dat het beginsel, waarvan het wetsontwerp uitgaat, niet tot zijne volle consequentie is doorgevoerd.

Eenige leden gingen in dienzelfden gedachtengang verder. Huns inziens behoorde het wetsontwerp toepasselijk te zijn ook in het geval, dat eene publiekrechtelijke corporatie aan de uitvoering van een werk van algemeen nut moeielijkheden in den weg legde, zich steunend niet op eenige publiekrechtelijke bevoegdheid, maar op een civiel recht, in het bijzonder het eigendomsrecht. Immers de ratio legis blijft ook voor dat geval dezelfde. Om zich tot het reeds genoemde voorbeeld te bepalen, onderstelde men, dat de dijk eigendom was van het waterschap, en dat het waterschapsbestuur zich op zuiver privaatrechtelijke gronden verzette tegen de voorgenomen buislegging, als zijnde eene beperking van het eigendomsrecht.

Door andere leden werden deze beschouwingen bestreden. Te recht, huns inziens, is het ontwerp gehouden binnen het beperkt kader, in' de considerans omschreven. Eene wettelijke regeling voor de oplossing

van alle conflicten van belangen en bevoegdheden, die bij de uitvoering van openbare werken met of tusschen de verschillende autoriteiten en besturen kunnen rijzen, scheen hun niet wel bestaanbaar toe. De Grondwet en de organieke wetten stellen de bevoegdheden van en de onderlinge verhouding tusschen die autoriteiten en besturen vast. Men kon niet inzien, hoe eene algemeene regeling bij de wet mogelijk zou zijn ten aanzien van de oplossing van alle moeilijkheden, die bij de uitvoering van openbare werken uit dat samenstel van bepalingen kunnen voortvloeien. — Evenmin kon dezerzijds worden toegegeven, dat in dit ontwerp zou- te huis behooren eene voorziening voor het geval, dat bij den aanleg van een werk eene beperking van den eigendom noodzakelijk mocht wezen. Men zou daarmede treden op het gebied van het onteigeningsrecht.

Onder de leden, die de beperking van het wetsontwerp tot het geval van belemmeringen, uit verordeningen voortspruitende, verdedigden, rees intusschen een verschil van gevoelen, waaromtrent men het oordeel der Regeering wenschte te vernemen. De vraag was deze : kan het bestuur eener publiekrechtelijke corporatie, nadat op de hier geregelde wijze eene bepaling van eene verordening is opgeheven, zich alsnog tegen de voorgenomen handeling verzetten op grond van het eigendomsrecht, dan wel, moet in zoodanig geval het bestuur zich bij de zaak neerleggen, en de eigendomsbeperking gedoogen, die uit het verrichten der voorgenomen handeling voortvloeit ? Als voorbeeld stelde men het volgende geval: een waterschap is eigenaar van een dijk ; er ; bestaat eene waterschapsverordening, verbiedende bijv. het plaatsen i van palen in dien dijk; voor de uitvoering van een werk van publiek nut is het noodig in dien dijk palen te plaatsen ; de uitvoerder van j het werk, gebruik makende van de nieuwe regeling, wendt zich tot [ Gedeputeerde Staten, eventueel tot de Kroon, en de bepaling der verordening wordt opgeheven; de uitvoerder wil de palen plaatsen, maar het waterschapsbestuur verzet zich hiertegen, als zijnde inbreuk op zijn eigendomsrecht. Wat zal, in den gedachtengang, die ten grondslag ligt aan het ontwerp, rechtens zijn ?

Zij naar wier oordeel het bestuur, na in de administratieve procedure in het ongelijk gesteld te zijn, niet opnieuw op civielrechtelijke gronden de voorgenomen handeling kan tegengaan, beriepen er zich op, dat, indien men eene andere interpretatie huldigt, dit wetsontwerp veel aan beteekenis verliest. In de meeste gevallen zal dan de uitvoerder van het werk van algemeen nut, ook al is de belemmering, uit de verordening voortspruitende, opgeheven, even ver zijn als te voren.

Anderzijds werd dit niet toegegeven. Ook in het geldend recht kunnen de hierbedoelde, uit het privaat recht voortvloeiende conflicten ondervangen worden door onteigening. Het wordt wel is waar veelal als een gebrek in de regeling van ons onteigeningsrecht aangemerkt, dat dit instituut alléén bruikbaar is voor eigendomsoverdracht, niet tot het opleggen van servituten aan den privaat-eigendom ten behoeve van publieke werken. Maar, al is de weg, dien men thans moet volgen, omslachtig, het doel kan bereikt worden, en het tot stand komen van een werk kan niet afstuiten op verzet, in het civiel recht gegrond. Anders is het echter, wanneer men in strijd komt met de bepaling eener verordening. Die tegenstand kan in het geldend recht niet worden gebroken, en daarvoor dient dit wetsontwerp. — Door de leden, die zich op dit standpunt stelden, werd voorts nog betoogd, dat, krachtens het beginsel, neergelegd in art. 625 van het Burgerlijk Wetboek, eene beperking van den eigendom nooit anders kan worden opgelegd dan krachtens wet of verordening. Zoo bijv. art. 4 der wet van 7 Maart 1852 (Staatsblad n°. 48) betreffende de telegrafen. Maar in ons recht onbestaanbaar achtten zij het, dat een administratieve autoriteit, bij de beslissing van een geschil van bestuur, bevoegd zou zijn, waar dit in het belang van eenig publiek werk wenschelijk voorkomt, het eigendomsrecht te beperken.

Naar aanleiding van dit wetsontwerp werd andermaal aangedrongen op spoedige invoering eener administratieve rechtspraak, waarvan het gemis zich wederom ernstig doet gevoelen. Bij aanneming van de voorgedragen bepalingen zullen daaruit hoogst belangrijke geschillen van bestuur kunnen voortvloeien. Maar een van het administratief gezag onafhankelijk rechter om deze te beslissen bestaat ten onzent niet. Zoolang de beslissing der administratieve geschillen in hoogste instantie aan de Regeering blijft, zij het ook na ingewonnen advies van de afdeeling «contentieux» van den Raad van State, mist men de waarborgen van juistheid en onpartijdigheid, waarmede iedere rechtspraak moet omgeven zijn, om het volle vertrouwen der Staatsburgers te genieten. Onder verwijzing naar het verhandelde in de vergadering der Kamer op 1 December 1897, sprak men de hoop uit, dat de Regeering hare aandacht aan deze zaak, die men genoegzaam voorbereid achtte, zou wijden.»

Enkele in het V. V. gemaakte opmerkingen .gaven de Regeering aanleiding tot indiening bij de M. v. A. van een eenigszins gewijzigd ontwerp, dat echter wat de hoofdbeginselen betreft, met het oorspronkelijke overeenstemt.

Het is belangrijk ook het antwoord des Ministers, voor zoover het zich met de algemeene strekking bezighoudt, te Ieeren «kennen. Wij laten het hieronder volgen:

«Met voldoening zagen de ondergeteekenden dat vele leden zich in beginsel met het wetsontwerp konden vereenigen. Naar de verdediging van het ontwerp door deze leden kan in hoofdzaak verwezen worden.

Het komt den ondergeteekenden voor dat zij die tegen destrekking van het ontwerp bezwaren inbrachten, het karakter der voordracht niet geheel juist hebben weergegeven. Volgens hen zou het ontwerp