is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 12, 25-03-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 13.

144

ding: „Men zoekt het beste ijzer uit en schikt het zoodanig in een pot of kroes, die uit Fransche leimen (klei, potaarde) is gevormd, dat tusschen iedere laag berkenasch en grofkorrelig berkenkool kan worden gestrooid.... item, schoorsteenroet, hoef hoorn, dat alles dingen zijn, die een vluchtig zout zonder zwavel bevatten. Dat nu trekt de zwavel door de Aequilibrii universalia, uit het ijzer tot zich....."

Omtrent het harden van het staal maakt Polhem de volgende opmerkingen: „Zoo dikwerf men stempels ofvijlbeitelshardt, moet het staal, als het bruinrood is geworden, zoolang tot het rood is, gloeiend op het vlakke aambeeld worden geslagen, alvorens het in water af te koelen. Alle hardingen in water moeten zeer zachtjes en langzaam worden verricht, want de beste harding heeft juist aan de oppervlakte van het water plaats, daar waar de wind met het water te zamen stoot. Hierbij valt op te merken, dat als het staal zoo snel en diep wordt ondergedompeld, dat kleine, of wat nog slimmer is, groote waterblaasjes aan de oppervlakte verschijnen, het zijne volle hardheid niet verkrijgt" .. . „Als men eene groote menigte dunne messen of scharen op eens wil harden, dan verricht men dit het best en gemakkelijkst in zoo heet lood, als de harding vereischt".... „Klokkenveeren worden op dezelfde wijze in lood en daarna in olie of talk gehard."

Tot zooverre Christian Polhem. Zijn zoon Gabriel bericht in hetzelfde jaar omtrent het harden van staalwalsen (16) dat zij het best in talk worden gehard, „omdat zij dan bij de harding het minste werken (kromtrekken). Als dit echter toch plaats heeft, moet de talk niet sterker vloeibaar zijn, dan een dikke brei en de potten, waarin de walsen worden gezet, vooraf in afvloeiend koud water worden geplaatst, omdat zij anders te langzaam afkoelen en dus de behoorlijke hardheid niet verkrijgen."

Acht jaren later (1748) schreef Gabriel LAURèiNS „op aansporing van een voornamen begunstiger", zijne breedvoerige verhandeling: „Een soort staal tot allerlei gebruik te harden." Zij is eveneens in de verhandelingen van de Kon. Zweedsche Academie van Wetenschappen verschenen. (17) Voor de toebereiding van het hardingsiualer moet het volgende mengsel worden gekozen: „Een lood salpeter, evenzooveel gedroogd zout. een maatie (van 4 pinten) urine en een kan water;

dit alles wordt' in een flesch gegoten, waarin men het laat staan, totdat alles wel onder elkander is'opgelost, maar hoe langer het water staat, des te beter wordt het. Bemerkt men echter dat het zout te sterk is, dan voegt men er iets meer urine of water bij,... . het salpeter heeft de eigenschap dat het zoowel een broos-stugge als taaie harding verwekt, zooals ik dikwerf bij onderzoekingen heb gevonden. Neemt men echter te veel salpeter, dan drijft het de overige materiën uit het heete staal, zoodat het de harding niet in zich zelve kan opnemen

„Tot het harden van fijne vijlen dienen hoorn, pooten of paardehoeven. Deze materialen worden in kleine stukken gesneden, op een ijzeren plaat gebrand, zoodat zij als schuim opzwellen. Een gedeelte hiervan wordt fijngestooten, met een deel „roet uit den vuurmuur" en gedroogd zout vermengd, en met het bovenbeschreven hardingswater op een verfsteen tot een lijvige brei gewreven en deze in een verglaasden pot, tot zij gebruikt moet worden, bewaard.

„Als ik nu harden wil, dan neem ik van dit mengsel, en zie eerst na, of het wel de behoorlijke dikte heeft . . . . . daarna neem ik de gereed gehouwen vijlen, leg ze in een kolenvuur tot ze recht warm worden .... bestrijk ze van boven en van onder met deze materie, houd ze zoolang boven het vuur, tot de materie droogt, en zoo voorts de een na de andere " .... Als nu de vijlen de juiste hitte hebben verkregen, dan worden zij in het bovenvermelde hardingswater gelegd."

Fijne klokkemakersvijlen worden op eene andere wijze gehard: „Nadat alles tot het harden gereed is, neem ik zout, bind het in een lapje, verwarm de kleine vijlen, doop het zoutpakje midden in het hardingswater, zoodat het zout in het lapje goed vochtig wordt, druk dit op de vijlen, dan worden de vijlen volkomen wit; of ik bestrijk ze met het zwarte mengsel, zet ze regelmatig in een afgesneden musketloop en daarna in goedaangeblazen kolen, waar zij zich dan doorwarmen en naar behooren heet worden; dan koel ik ze

(16) Abhandlungen II Band Blz. 230.

(17) Abhandlungen X Band Blz. 68 e,i verder.

I öf in het beschreven hardingsmiddel af, ofwel in knoflooksap, \ van welk laatste zij hard en taai worden"

Het knoflooksap wordt door Laur&ns op de volgende wijze bereid: „Ik neem knoflook naar believen, en naar ik veel I sap verlang, snijd het klein, giet er zooveel brandewijn op j dat het overdekt is, laat het zoo staan en 24 uren op een warme plaats trekken, dan pers ik de brandewijn en tevens het sap uit, bewaar het in goed sluitende flesschen en gebruik het later op de beschreven wijze tot harden."

In eene omstreeks 1770 verschenen verhandeling, van een ongenoemde, over de ijzerbergwerken voor ijzererts (in Stiermarken), welke in de geschriften van den Italiaanschen geleerde Johann Arduino (18) is overgedrukt, luidt het o. a. : I „De afkoeling van het staal in koud water vermeerdert sterk : zijn veerkracht, omdat de door het vuur weekgemaakte en van i elkander afgezonderde vezels daardoor gedwongen worden weder saam te stooten en eene meer parallele richting aan te nemen, waardoor de tusschenruimten kleiner worden. Dat echter zijne veerkracht van de rechte en parallele ligging zijner deelen afkomstig is, is door den bouw van de elastische lichamen uit het dieren- en plantenrijk aan te toonen." . . . „Polhem", zoo gaat de onbekende schrijver in zijne be\ schouwingen verder, „zegt dat het staal, waaruit men spring-

veeren .... maken wil, dikwert onder den namer moet Komen.

Hierdoor geeft hij stilzwijgend te kennen, dat, hoe dichter ! de gelijksoortige vezels van het ijzer zich saam verbinden, j het des te meer de eigenschap van het staal en zijne veerj krachtigheid aanneemt. Zeker is het, dat door deze sterker

samenhang van de gelijksoortige deelen, het ijzer, bij het

afkoelen in koud en samentrekkend water, ook zooveel sterkte \ en veerkracht verkrijgt; zooals men ook in Stiermarken en ! Oostenrijk pleegt te doen, om de daarvan afkomstige seizen, ! die ver weg verzonden worden, meer scherpte en taaiheid te i geven; waartoe zij zich van zeep, sterkwater en andere materiën

bedienen."

Jacobson (19) beschrijft in zijn technologisch woordenboek | breedvoerig het harden van Engelsche vijlen. Daarin meldt hij dat de vijlen, na het kappen in bierdroesem worden gedom' peld, dan met een mengsel, dat uit „zeezout en grof gestooten runderhoeven bestaat", bestreken, op ontzwavelde steenkolen gegloeid en dan loodrecht in koud water afgekoeld worden.

„In Schmalkalden bezigde men voor het vijlenharden een hardingspoeder, dat uit gelijke deelen van „gebrande, fijngestooten hoorns en keukenzout" bestond. Tot het harden van „Couteauklingen" stak men deze tot aan den greep in kokend vet, liet ze twee uren daarin koken en na het uitnemen langzaam afkoelen." (20)

Tot het harden van stalen knoopen bezigde men een cementI poeder bestaande uit twee deelen gebrande schoenzolen en een deel gebrande ossenhoeven.

Hartley te Londen nam den 9 Juni 1789 een octrooi, om de staalharding onder aanwending van een pyrometer en kwikzilverthermometer uit te voeren. Hij had gevonden dat de beste temperaturen voor de harding tusschen 400—600° F. = 205 tot 315° C. waren gelegen; hij maakte ook tevens een tabel van de aanloopkleuren bij de staalharding (21). Stodard vond later 4503 F. = 232° O als de beste temperatuur voor het harden van pennemessen.

Ofschoon sedert de tijden van Réaumur en Rinman vele uitstekende mannen der wetenschap en praktijk, zich niet het nasporen van het bij de staalharding optredend chemisch en physisch proces hebben beziggehouden, toch is de sluier, welke voor jaarduizenden het inwendig verloop der harding voor ons oog verhulde, nog niet volledig opgeheven.

„Omtrent vele punten", zegt Prof. A. Ledebur in zijne studie over dit onderwerp (22), is ons reeds een helder licht opgegaan, toch staan hier nog tegenstrijdige meeningen tegenover elkander, die nog steeds op vereffening wachten."

Feitelijk bestaan heden nog vier hardingstheorieén, die alle hare aanhangers hebben. Ook ten opzichte van de praktische

(18) «Sammlung einiger mineralogisch-, chymisch-, metallurgischund oryktographischer Abhandlungen des Herrn Johann Arduino, und einiger Freunde desselben. Aus dera Italianischen übersetzt». Dresden 1778. Blz. 222. . . .

(19) Joh. Karl Gottfried Jacobson s technologisches wörterbuch, Berlin 1793. 6 Bd. Blz. 41

(20) Jacobson, techn. Wörterbuch. t. a. p.

(21) Dr. Beck, «Geschichte des Eisens.» III Blz. 775.

(22) «Stahl und Eisen» 1895 Blz. 944.