is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 18, 06-05-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 18.

218

Uit het Verslag van de Rijks-Commissie voor graadmeting en waterpassing, aangaande hare werkzaamheden ged. het jaar 1898.

(Vervolg van bladz. 206.)

De heer Bouquet de la Grye (Parijs) gaf een overzicht van de waarnemingen aan getymeters in de laatste jaren volbracht, en van de daaruit afgeleide uitkomsten, en de heer Preston (Noord-Amerika) wees op de wenschelijkheid van eene herhaling der voor ruim anderhalve eeuw volbrachte graadmeting in Peru. Eene commissie, bestaande uit de heeren Bassot (Frankrijk) Preston (Noord-Amerika) en Sagasta (Spanje), werd verzocht na te gaan hoe die wensch het best kon worden verwezenlijkt.

In de vijfde zitting werd verslag uitgebracht door de commissie belast met het onderzoek van de voorstellen tot het verrichten van waarnemingen ter bepaling van de beweging van de aardas, op kosten der internationale vereeniging. Dit verslag bevatte een achttal voorstellen, welke door de vergadering eenstemmig werden aangenomen. Deze voorstellen zijn in hoofdzaak de volgende.

Te beginnen met 1899 zullen gedurende 5 jaren waarnemingen voor dat doel worden volbracht in 6 stations onder de parallel van 39° 8'; vier van deze stations, Mizoesawa in Japan, San Pietro in Sicilië, Gaithersburg in het oosten en ükiah in het westen van de Vereenigde Staten worden geheel ingericht en bekostigd door de internationale vereeniging voor aardmeting, terwijl twee, Cincinnatie in Noord-Amerika en Tschardjoei aan de Amoer-darja (Oxus) in hoofdzaak door de Sterrenwacht te Cincinnati en door de Russische regeering zullen worden bekostigd, en alleen eene subsidie van de vereeniging zullen ontvangen. Men zal aldaar de waarnemingen verrichten volgens de Talcottmethode met instrumenten voor het gewone zien ingericht; photographische kijkers zullen niet worden gebruikt. De geheele onderneming staat onder de leiding en verantwoordelijkheid van den directeur van het centraalbureau.

Daar bet van veel belang is dat de veranderingen van de poolshoogte worden bepaald in een groot aantal stations, die natuurlijk niet door de vereeniging kunnen bekostigd worden, zal het centraalbureau aan al de sterrenwachten, die zij daartoe geschikt acht, de uitnoodiging zenden om de hiervoor noodige waarnemingen te verrichten ; het geheel aan die sterrenwachten overlatende welke handelwijze en welke instrumenten zij daartoe wenschen te gebruiken.

Na verloop van vijf jaar zal de algemeene vergadering beslissen of er aanleiding is de waarnemingen voort te zetten.

In ■ deze zelfde zitting werd het verslag uitgebracht van de financieele commissie. Het bleek hieruit dat de vereeniging, wat hare geldmiddelen betreft, in een zeer gunstigen toestand verkeert; de vereeniging nam toch bij den aanvang der nieuwe conventie op 1 Januari 1897 het batig saldo van omstreeks 18,000 francs over, hetgeen bij het einde van de vorige conventie op 21 December 1896 was overgebleven, en ontving daarbij gedurende de beide jaren f897 en 1898 de bijdragen, waartoe de verschillende staten zich verbonden hebben, jaarlijks omstreeks 80,000 francs bedragende. Na aftrek van de noodzakelijke uitgaven en van de onkosten voor het oprichten der stations voor de breedte bepaling, bleek er nog een som van 80,000 a 90,000 francs over te blijven, die voor wetenschappelijke onderzoekingen kan worden aangewend.

In de zesde zitting gaf de hoogleeraar Helmert een overzicht van de sedert 1895 in omstreeks 400, stations volbrachte slingerwaarnemingen. Op zijn voorstel werd door de vergadering besloten om de onderlinge vergelijking der slingertoestellen in de verschillende landen te bevorderen, door hiervoor uit de kas der vereeniging toelagen te verleeneri.

De Commissie, aan welke in een der vorige zittingen was opgedragen te onderzoeken op welke wijze eene nieuwe graadmeting in Peru zou kunnen worden volbracht, stelde in deze zelfde zitting voor: ló. dat de vergadering den wensch uitspreke, om die meting over een grootere lengte dan tijdens de expeditie van 1735 tot 1740, namelijk over minstens 5 breedtegraden uit te strekken : 2°. zoo spoedig mogelijk eene verkenning van het terrein te doen uitvoeren door een der daarvoor in aanmerking komende rijken, en dat de kosten hiervoor, op ongeveer 20,000 francs begroot, uit de kas der vereeniging betaald worden. Om deze uitvoering te verzekeren, zou zich het huishoudelijk bestuur in verbinding moeten stellen met de regeeringen van Frankrijk en Spanje, welke beide hadden deelgenomen aan de graadmeting in Peru in de 18de eeuw. De voorzitter Faye verklaarde zich sterk tegen het denkbeeld om uit de kas der vereeniging eene subsidie voor dit doel toe te staan, waarna dit deel van het voorstel werd ingetrokken, doch de overige deelen werden aangenomen.

In de zevende zitting deelde de hoogleeraar Helmert een en ander mede over de werkzaamheden, waarmede het Centraalbureau zich in de beide volgende jaren zal bezighouden : lo. voortzetting van de bepaling der afwijkingen van de richting der zwaartekracht, langs de gemeten parallel- en meridiaanbogen ; 2°. bepalingen van de absolute slingerlengte; 3°. de voorbereiding en de herleidingen der breedtewaarnemingen, die in hoofdzaak de werkzaamheid zullen in beslag nemen.

In deze en in de volgende, achtste, zitting (de laatste dezer bijeenkomst), werden door de afgevaardigden de verslagen over den voortgang der geodetische werkzaamheden in de verschillende landen voor¬

gelezen ; hiervan zij alleen vermeld eene mededeeling van den Zweedschen afgevaardigde Rosén over de graadmeting op Spitsbergen. De bouw der verschillende signalen aldaar is aangevangen en met de metingen zelve hoopt men in twee jaar gereed te zijn. Deze metingen zullen eene belangrijke bijdrage voor de kennis van den algemeenen vorm der aarde kunnen opleveren.

Nadat ten slotte door de vergadering was uitgesproken om de volgende algemeene vergadering in 1900 te Parijs te houden, werd de twaalfde algemeene vergadering der vereeniging voor aardmeting, na de gebruikelijke plichtplegingen gesloten.

Werkzaamheden der Commissie. In 1898 hadden de werkzaamheden betrekking op :

de primaire driehoeksmeting,

De secundaire driehoeksmeting.

De sterrekundige waarnemingen.

Driehoeksmeting. Het personeel voor de driehoeksmeting in dienst der Commissie, bestond in den aanvang van het jaar uit de ingenieurs Wildeboer, van Eijk Bijleveld, Verhellouw, Modderman en Bijl en den gedetacheerden landmeter van het kadaster Bingen. Door de detacheering van den landmeter van het kadaster den heer Th. L. Kwisthoot, met ingang van 1 Maart 1898 werd het personeel der Commissie versterkt.

Met het oog op den aanvang van de gedetailleerde uitvoering der secundaire driehoeksmeting werd de ingenieur Wildeboer meer bijzonder belast met de uitvoering der werkzaamheden voor de primaire driehoeksmeting; de werkzaamheden voor de secundaire metingen werden opgedragen aan den ingenieur van Eijk Bijleveld.

Aan eerstgenoemde werden toegevoegd de ingenieurs Verhellouw, Modderman en Bijl en de landmeter Kwisthout ; aan laatstgenoemde de landmeter Bingen.

Primaire driehoeksmeting. De hoeksmetingen werden in 1899 voortgezet door twee ploegen.

De eerste ploeg, met den ingenieur Wildeboer als chef en de hem toegevoegde heeren Bijl en Kwisthout, ving de waarnemingen aan op het tusschenpunt Wolberg, waar in 1897 sterrenkundige waarnemingen werden verricht.

Met het oog op de belangrijkheid van dit punt werd het geheel behandeld alsof het een hoofdpunt was.

Als op hoofdpunten werd daar gericht op: Lemelerberg, Veluwe, Harderwijk en Kampen, en als op tusschenpunten op : Zwolle, Wijhe, Deventer en Elburg.

Door ongunstigde weersgesteldheid vorderde de voltooiing van dit station vrij veel tijd.

Daarna werden de hoekmetingen aangevangen te Kampen.

Ook daar vorderden de waarnemingen veel tijd wegens verschillende redenen.

In de eerste plaats was de weersgesteldheid over het algemeen ongunstig. Verder moesten op dit station de waarnemingen uitgevoerd worden gedeeltelijk in eene en gedeeltelijk in eene andere standplaats, waardoor uit den aard der zaak eene vermeerdering van werk ontstond, eh ten overvloede werden op den toren herstellingswerken uitgevoerd, welke van tijd tot tijd hinderlijk waren voor het uitvoeren der hoekmetingen.

Te Kampen werden gemeten de richtingen naar de hoofdpunten Steenwijk, Lemelerberg, Veluwe, Harderwijk en Urk, en naar de tussche.ipunten Wolberg, Blokzijl, Meppel, Zwolle, Elburg en Kuinre.

Bij de voltooiing van de metingen te Kampen kwam verandering in de samenstelling van deze ploeg, doordat de heer Kwisthout ging deelnemen aan de uitvoering der secundaire metingen.

De ingenieur Bijl werd voor een tijd aan de uitvoering der hoekmetingen onttrokken om belast te worden met de uitvoering van de noodige bouwwerken op den Martinitoren te Groningen.

Met het oog op den geregelden gang der sterrekundige waarnemingen kon de uitvoering dezer werken niet worden uitgesteld.

De ingenieur Wildeboer, die nu in deze ploeg alleen overbleef voor het uitvoeren van hoekmetingen, ving de waarnemingen aan op het station Monnikendam. De waarnemingen daar konden echter in dit jaar niet ten einde worden gebracht.

Door deze ploeg werden centreeringsmetingen gedaan te Elburg, Veluwe, Alkmaar, Harderwijk, Monnikendam, Groningen en Tolbert.

De voorgenomen centreeringsmetingen te Kampen konden dit jaar niet worden uitgevoerd wegens de vernieuwing van het kruis op den toren.

Behalve de pijlers met steigers op den Martinitoren te Groningen werden in dit jaar geen bouwwerken van belang uitgevoerd.

Tijdens de metingen op het station Wolberg werd daar om den steenen pijler een tent met houten vloer geplaatst.

Door den directeur der Artillerie-schietschool werden de daarvoor benoodigde hulpmiddelen welwillend ter beschikking gesteld.

De tweede ploeg, samengesteld uit de heeren Verhellouw, als chef, en Modderman, ving de waarnemingen aan op het station Mijdrecht.

Als op hoofdpunten werd daar gericht op : Monnikendam, Naarden, Utrecht, Gouda, Berkheide en Brederode, en als op tusschenpunten op: Amsterdam, Loenen, Woerden, Nieuwkoop, Hazerswoude, Leiden (Lodewijkskerk), Leiden (Stadhuis), Aalsmeer en Haarlem.

Niettegenstaande het minder gunstige weder hadden deze metingen een vrij snel verloop.

Als tweede station werd bezet Naarden. Daar werd gericht op de hoofdpunten: Harderwijk, Amersfoort, Utrecht, Mijdrecht en Monnikendam, en op de tusschenpunten : Bunschoten, Loenen, Aalsmeer en Amsterdam.