is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 47, 25-11-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

575

M 49.

weg van De Hilte naar Gasselternijveen, een draaibrug in den zandweg tusschen de Achterste landen en Tipdallen;

een draaibrug in den zandweg tusschen Tipdallen en Lange dallen en Lange dallen en Zandvoort;

een draaibrug in den zandweg tusschen Zandvoort en Lage Osseveenen en

een draaibrug in den zandweg tusschen de Lage Osseveenen en de Voorste Osseveenen.

Ongeveer van af den zandweg ten Oosten van de Lage Osseveenen tot aan Gieten loopt ten Zuiden van den grintweg van Bareveld naar Gieten een zandweg juist daar, waar het kanaal is geprojecteerd. Deze zandweg, zoo die moet behouden blijven, kan verlegd worden ten Zuiden van het kanaal.

Voor de onderdoorvoering van de Oostermoersche vaart zal een syphon moeten worden gebouwd.

Het nieuwe kanaal is lang 6.650 K.M. en heeft een peil van 3.02 + A.P.

Kanaal van Spijkerboor naar Annen. In afwijking met de beide genoemde kanalen loopt dit ten Noorden van den grintweg van Spijkerboor naar Annen. Het kanaal doorsnijdt eerst den klinkerweg van Spijkerboor naar Annerveensche kanaal, ontmoet vervolgens de Oostermoersche vaart en buigt zich dan in Z.Z.W. richting naar den grintweg, om dien steeds te volgen tot het eind van het kanaal, het westelijke punt van de landen, genoemd: de Gloepen. Achtereenvolgens worden de volgende landen doorsneden: de landen ten Noorden van de Paardebroeken ; de Aasveenen en de Vierdelslanden.

Bij het Noordelijkste punt van de Gloepen is wegens een voor het kanaal te sterke kromming van den grintweg, deze verlaten, en aan het kanaal een grooteren kromtestraal gegeven.

Als kunstwerken zijn noodig :

1°. een draaibrug in den klinkerweg van Spijkerboor naar Annerveensche kanaal;

2°. een draaibrug in den zandweg ten Oosten van de Aasveenen ;

3°. een syphon voor de doorvoering van het water van de Oostermoersche vaart onder het kanaal.

Het nieuwe kanaal is lang 3.125 K.M. en heeft een peil van 1.63 + A.P.

Diensten voor de afwatering. Het kan niet worden ontkend dat de drie genoemde kanalen zullen bijdragen tot eene betere afwatering van de Oostermoersche landen. In de nabijheid van den Hondsrug toch kunnen vele wateringen worden vereenigd en naar de kanalen worden gevoerd. Ofschoon men geen last van dat water zal ondervinden, zal men er toch spoediger van worden verlost. Het behoeft nu niet den langeren weg te doorloopen van de Oostermoersche vaart.

Een gevolg van die gedeeltelijke onderschepping van het stroomgebied door de drie kanalen, is verlaging van de waterstanden op de Oostermoersche vaart.

Voor het Groninger Stadskanaal zijn de kanalen van groote beteekenis, omdat zij kunnen dienen om de verschillende panden beter op peil te houden. Dit wordt duidelijk wanneer men in aanmerking neemt, dat door het zoogenaamde Batjeverlaat en Eexterveensche verlaat meer schepen worden geschut dan door het lste verlaat; (zie lengteprofil van het Groninger Stadskanaal) door het lste verlaat meer dan door het 2"16 verlaat; door het 2de verlaat meer dan door het 3de, en zoo vervolgens. Werden door de opvolgende schutsluizen evenveel schepen geschut, waren de schutkolken even groot en de vervallen (schuthoogten) dezelfde, dan zou alleen van het bovenste pand de waterspiegel kunnen dalen, want het verloren water aan het benedeneind van het pand werd weder ontvangen aan het boveneind.

De zaak wordt evenwel anders, wanneer de toestand wordt zooals boven is geschetst. Dan wordt aan het benedeneind van een pand meer water verloren dan aan het boveneind gewonnen en het gevolg zal zijn, dat de waterspiegel daalt. Zooveel te meer zal dit het geval zijn, wanneer bij gelijke oppervlakten der schutkolken, de schuthoogte aan het benedeneind grooter is dan die aan het boveneind van het pand.

Het zoogenaamde Batjeverlaat heeft eene schuthoogte van 1.01 M. (zie de kaart), het lste verlaat eene schuthoogte van 0.70 M., derhalve geringer; door de eerstgenoemde sluis worden meer schepen geschut dan door de laatstgenoemde; een gevolg van een en ander is, dat het veel moeite kost het tusschengelegen pand op peil te houden.

De toestand wordt nog ongunstiger, wanneer men bedenkt dat vele schepen den weg kiezen over het Annerveensche- en Kielster kanaal, omdat het Eexterveensche verlaat met een verval van 1,39 M., eene grootere schuthoogte heeft dan het Batjeverlaat.

In dezen toestand zou eene grootere verbetering te brengen zijn als men op het genoemde pand het nieuwe kanaal van Bareveld naar Gieten liet uitmonden.

In mijn opstel over «Waterverlies bij schutsluizen» in No. 31 van dit Weekblad, blz. 395, werd onder meer aangetoond, dat de daling van den waterspiegel kan worden beperkt door de kanaalbreedte grooter te nemen of den boezem te vergrooten en dit laatste kan worden verkregen door dwarskanalen te graven in verbinding met het pand. Het nieuwe kanaal zou dan een van deze kanalen voorstellen.

Dezelfde voordeelen kunnen worden verkregen voor de panden, waarop de beide andere kanalen uitmonden.

Oorzaken van de verwildering der Oostermoersche vaart.

Er is een tijd geweest dat schepen de Oostermoersche vaart opvoeren tot aan het dorp Gasselternijveen. In den tegenwoordigen toestand is daarvan geen sprake meer. De bevaarbaarheid is langzamerhand achteruitgegaan, eindelijk verdwenen. Twee oorzaken kunnen worden genoemd, tengevolge van welke overal op het riviertje stroomverlammingen zijn ingetreden, en wel: 1°. de snelle vergraving der veenen langs den bovenloop, en 2°. de gebrekkige regeling van het onderhoud der rivier.

Door de snelle vergraving der veenen, voeren de veenkanalen veel water af, dat vroeger uit die veenen terecht kwam op de Oostermoersche vaart. Tengevolge daarvan minder toevoer van water en minder behoefte aan een groot profil.

In de tweede plaats had het slechte onderhoud vele inscharingen der oevers tengevolge, door welke de bochten steeds grooter werden. Had men steeds meer zorg aan het onderhoud besteed, de verwaarloosde toestand van heden zou niet geboren zijn geworden.

Voorstellen tot verbetering van de Oostermoersche vaart. (1)

Na herhaalde klachten, in de Volksvertegenwoordiging geuit over den slechten toestand der kleine rivieren, werden in de jaren 1890—1893 door ambtenaren van 's Rijks Waterstaat schetsontwerpen opgemaakt tot verbetering van de kleine rivieren in Drenthe, waaronder ook de Oostermoersche vaart.

De ontwerpen strekken om, door bekading der oeverlanden en vergrooting van het verval door middel van afsnijdingen en prolilsverruiming, die landen tegen overstrooming, zoowel bij hoogen zomervloed als bij hoogen boezemstand zonder zomervloed, te beveiligen.

In het schetsontwerp tot verbetering van de Oostermoersche vaart zijn 45 afsnijdingen van bochten ontworpen, van welke de laatste is voorgesteld onmiddellijk na de vereeniging van het Voorste diep met het Groote diep (zie de kaart).

Aangaande het onderhoud wordt op bladzijde 24 van het schetsontwerp gezegd:

«Bij het opmaken van de verbeteringsontwerpen is uitgegaan «van de onderstelling, dat voor het onderhoud der rivieren na «de verbetering behoorlijk zal worden zorg gedragen, en dat in «het bijzonder de rivieren in den zomer volledig, en zoovele «malen als noodig zal blijken, van waterplanten zullen worden «gezuiverd.

«Was dit niet het geval, en waren de rivieren tijdens den «zomervloed met waterplanten begroeid, dan zou de aangeno«men grootste zomerafvoer een hoogeren waterstand veroorzaken «dan die, waarvan bij het ontwerpen der verbetering is uitge«gaan.»

En op bladzijde 23 :

«In het algemeen is aangenomen dat de oevers na de versbetering geen kunstmatige verdediging noodig zullen hebben «om in stand te blijven; met 'toog op de onzekerheid omtrent «een voortdurend goed onderhoud, is het raadzaam de kunst«matige verdediging zooveel mogelijk onnoodig te maken, het«geen geschieden kan door in de nieuwe rivier slechts flauwe «bochten toe te laten.»

Aangaande de kunstwerken leest men op blz. 24:

(1) Zie schetsontwerpen tot verbetering van de kleine rivieren in Drenthe in 1890—1893, opgemaakt door ambtenaren van 's Rijks Waterstaat. Uitgegeven vanwege het Departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid.

IV. Oostermoersche vaart. Zwolle, W. E. J. Tjeenk Willink, 1896.