is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 51, 23-12-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

633

M si.

derhalve het voordeel verkregen worden, dat de getijbewegiug in de killen zal blijven bestaan, zoodat, wat scheepvaart, visscherij, rietcultuur, waterverversching, enz. betreft, in den tegenwoordigen toestand geen verandering zal worden gebracht.

Het vereischte overleg met Gedeputeerde Staten omtrent dit plan wordt aanhangig gemaakt, zoodat de hoop mag worden gekoesterd, dat nog in 1900 met de werken kan worden aangevangen, waarvoor bij de ingediende ontwerp-begrooting f 100,000 wordt aangevraagd. De kosten van deze werken zijn geraamd op f 960,000.

Uit een en ander volgt dat het tijdstip, waarop de nieuwe rivier zal kunnen worden geopend, nog niet met zekerheid is mede te deelen, doch zonder onvoorziene vertragingen kunnen de voormelde werken in het jaar 1903 gereed komen.

Wat den Baardwijkschen Overlaat betreft wordt aangenomen, dat deze na het openen der nieuwe rivier niet meer zal behoeven te werken.

Be bakening van de Linge. Art. 44 (oud 45). De vraag, of bij deze begrooting gerekend is op uitbreiding van de bebakening der Linge tot Geldermalsen, kan bevestigend worden beantwoord.

Verbetering van de Vecht.

Art. 47 (oud 46). Voor de verbetering van de Vecht is op dit artikel f 245,000 uitgetrokken, zijnde gelijk bedrag als voor het loopend dienstjaar is toegestaan. Voor 1897 en 1898 waren die sommen respectievelijk f 30,000 en f 100,000 ; het thans aangevraagd bedrag is dus niet gering, veeleer ruim te achten, daar toch, op die wijze voortgaande, de kosten van het geheele werk over slechts 6 jaar na 1897 zouden worden verdeeld. Daarvan zijn de eerste twee met 31 December e.k. verstreken, terwijl de verbetering reeds is aanbesteed tot even beneden den mond der Regge en zij in 1900 bij gunstig verloop der onteigening zal kunnen vorderen tot een puni tusschen Ommen en Junne. Met de thans aangevraagde som zal na 1 Januari 1898 voor het werk reeds bijna 6 ton gouds zijn verwerkt.

Hoewel mogelijk, zou het niet raadzaam noch doeltreffend zijn om reeds nu eenige bochten nabij Gramsbergen en Hardenberg af te snijden.

Het afsnijden van afzonderlijke bochten toch zou de hooge waterstanden slechts zéér plaatselijk en op die plaatsen slechts met weinige centimeters doen dalen, terwijl deze werkwijze het verplaatsen van aanzienlijke zandmassa's zou kunnen bevorderen, waardoor de kosten zouden stijgen, zonder dat feitelijk een noemenswaardig voordeel op eenig vak werd verkregen.

De invloed, welken eene afsnijding op den waterstand uitoefent, is langs anderen weg nauwkeuriger bekend dan door eene proefneming met het afsnijden van eenige bochten verder bovenwaarts op de rivier zonder eenig verband met en op grooten afstand van het benedenwaarts reeds verbeterde gedeelte. Ook voor het behoud van de winterbevloeiing kan zoodanige proef geen bruikbare gegevens doen kennen; wat voor dat behoud noodig is, kan eerst worden beoordeeld en bepaald, wanneer de verbetering van Dalfsen af, onafgebroken over eene aanzienlijke doorgaande lengte rivieropwaarts is uitgevoerd.

Aanlegplaats op W i e r i ng e n. Art. 53 (oud 54). Het gemaaide groene wier, dat, zooals in het Voorloopig Verslag wordt gezegd, voor liet grootste gedeelte aan de oostkust van het eiland wordt aangevoerd, is niet aanstonds ter verscheping gereed. Het moet eerst in de slooten worden uitgeverscht en daarna gedroogd.

Het uitgeversehte en gedroogde wier nu eerst naar de oostpunt te vervoeren, daar in vaartuigjes te laden, om daarmede naar de Haukes te varen en aldaar opnieuw te verschepen, zou nog grootere kosten vorderen, dan het over een afstand van ruim 6 K.M. per as te vervoeren. Bovendien zijn scheepjes, welke het wier naar de Haukes zouden moeten vervoeren, daartoe niet beschikbaar, omdat zij voor het wiermaaien noodig zijn.

De te verbeteren aanlegplaats aan de oostpunt is zeker van plaatselijk en van provinciaal belang, maar in veel mindere mate dan de haven, gemaakt aan de Haukes. De thans voorgestelde verbetering is grootendeels een Rijksbelang, omdat zij ten goede komt aan de wiermaaierij, waarvan de verpachting eene belangrijke bate voor den Staat is.

Er is dan ook alle reden voor, dat het Rijk in de kosten der verbetering van dit Rijkswerk veel meer bijdraagt dan de provincie en de gemeente en evenzeer om de kosten van onderhoud, welke jaarlijks slechts eenige honderden guldens zullen beloopen, voor rekening van het Rijk te nemen.

Haven b ij Oosterend op Texel. Zooals in de Memorie van Antwoord betreffende de begrooting voor liet loopendo jaar werd medegedeeld, was het gevoelen gevraagd van het College voor de zeevisscherijen over de wenschelijkheid van den aanleg van eene haven te Oosterend, in verband met de belangen der visscherij. Blijkens zijn sedert ontvangen antwoord, acht het College dien aanleg, waar het aantal visschersvaartuigen te Oosterend thans 92 bedraagt, alleszins gewenscht. Na hernieuwd onderzoek der zaak, was ook de Minister de meening toegedaan, dat het maken van eene tweede haven te Oosterend de voorkeur verdiende boven vergrooting van de haven te Oude-Schild, welke niet langer aan de behoeften van de visschersvloot voldoet.

Voor het werk is indertijd door den Waterstaat een plan opgemaakt, waarvan de kosten op f 175,000 zijn geraamd. Door de gemeente Texel en door de belanghebbenden zijn bijdragen toegezegd tot een gezamenlijk bedrag van f 15,000, waardoor de uitgaven tot f 160,000 zouden verminderen. De Minister heeft zich toen bereid verklaard de bevordering van het werk voor Rijksrekening in overweging te nemen, indien de provincie de helft wilde dragen van het zooeven genoemde bedrag van f 160,000. Gedeputeerde Staten van Noord-Holland waren echter van meening, dat eene bijdrage van f 80,000 niet in evenredigheid zou zijn met het belang dat de provincie heeft bij het tot stand komen van een werk, dat, hoe wenschelijk het ook geacht moge worden, toch niet gezegd kan worden voor het gewest van overwegend belang te zijn.

Haven te Hoorn, E 1 b u r g e n b ij de sluis aan de W i e 1 i n g e n.

Naar aanleiding van een verzoek van het hoofdbestuur der schippersvereeniging „Sclhuttevaer'', is een onderzoek ingesteld omtrent het maken van een vluchthaven te Hoorn. Blijkens een daarvoor opgemaakt ontwerp, zouden de kosten van dit werk f26,000 bedragen. Daar zoodanige vluchthaven de visschersvloot op de Zuiderzee ten goede zou komen, heeft de Minister zich bereid verklaard, het, toekennen van een Rijkssubsidie ten bedrage van een derde der geraamde kosten in overweging te nemen, mits de gemeente, aan welke de tot vluchthaven

: in te richten haven behoort, het werk uitvoere, en de overige twee derden door de provincie en de gemeente worden gedragen. Het gemeentebestuur van Hoorn is niet gezind een derde der kosten van aanleg voor zijne rekening te nemen, en wil zich alleen dan met de

j uitvoering van het werk belasten, wanneer zoowel door het Rijk als door de provincie in de kosten van onderhoud wordt bijgedragen. Daar hiervan geen sprake kan zijn en het algemeen belang met in voldoende mate bij de zaak betrokken is, om het werk van Rijkswege tot stand te brengen, kan aan de zaak geen verder gevolg worden gegeven.

Voor de verbetering van de haven te Elburg is een ontwerp opgemaakt, waarvan de kosten op f 75,000 zijn geraamd. Door het gemeentebestuur is onlangs zoowel tot de Regeering als tot het gewestelijk bestuur van Gelderland het verzoek gericht om subsidie. Door Gedeputeerde Staten is aan de Staten voorgesteld voor de verbetering deihaven uit de provinciale fondsen eene bijdrage te verleenen van een derde der geraamde kosten, tot een maximum van f 25,000. Door de Staten is in de November-vergadering van dit jaar dienovereenkomstig besloten.

Er zal nu zijn te overwegen, of er termen zijn om het toekennen van eene Rijksbijdrage tot gelijk bedrag te bevorderen. Er bestaat evenwel bezwaar om daartoe reeds nu, bij Nota van Wijziging een voorstel te doen. Ook naar de meening van den Minister behoort zulks alleen in bijzondere gevallen te geschieden.

Hetzelfde geldt van den aanleg van eene haven aan de Wielingen, waarvoor door het bestuur van het waterschap de Watering Cadzand een Rijkssubsidie ten bedrage van een derde der op f 36,000 geraamde kosten is gevraagd, en waarvoor door de Staten van Zeeland, in hunne jongste zomervergadering, een renteloos voorschot van f 12,000 is toegestaan. Ook omtrent deze aanvrage wenscht de Minister de beslissing omtrent een voorstel aan te houden tot de eerstvolgende ontwerpbegrooting.

Verdediging van de Noordzeekust tusschen de H e 1 d e r s c h e en H o n d s b o s s c h e Zeeweringen.

Art. 54 (oud 55). Zooals in den toelichtenden staat is vermeld, moet het aangevraagde bedrag in hoofdzaak dienen voor den aanleg van strandhoofden, voor den aanleg van werkspoor en de aanschaffing van voertuigen.

Overigens zijn de aangevraagde gelden noodig voor duinbeplanting, aanschaffing van noodmaterialen, onderhoud en toezicht bij de uitvoering der werken, terwijl in Callantsoog nog eene kleine duinverzwaring tot de aangenomen normale breedte van 75 M. is aan te brengen, welke dit jaar niet geheel voltooid is kunnen worden door de aanwezigheid van een paar kleine huisjes, welke inmiddels zijn aangekocht en opgeruimd.

In 1899 zijn de voornaamste zwakke punten in den buitenduinregel op ruim zeewerende breedte gebracht, terwijl in dat jaar tevens een aanvang is gemaakt met den aanleg van drie strandhoofden onmiddellijk vóór Callantsoog en met den aanleg van een Rijkswerkspoor voor den aanvoer van bouwstoffen van het Noordhollandsch kanaal even benoorden de Zijperschutsluis tot aan den Voordijk.

Het ligt in het voornemen, in 1900 met den aanleg van 4 a 5 hoofden noordwaarts voort te gaan en het werkspoor door te trekken langs de kust tot Callantsoog, terwijl het zich tevens aanbeveelt, voor het transport der bouwstoffen ook Rijksvoertuigen aan te schaffen.

Bij de gedachtenwisseling, welke is voorafgegaan aan de wet van 15 Juli 1898 (Stbl. n°. 187) is medegedeeld dat en om welke redenen liet geven van eene betrouwbare raming van kosten der geheele voorziening nog niet mogelijk is.

Dezelfde redenen, welke toen zijn aangevoerd, zijn nog geheel van kracht, daar het hier een werk betreft van langen duur, waarbij met zeer afwisselende toestanden moet worden rekening gehouden en waaromtrent de ervaring, nu pas de eerste drie hoofden in aanleg zijn, nog niets heeft kunnen leeren.