is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 35, 29-08-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

314

van een dergelijke kaart zou voor één persoon te veel tijd vorderen, zelfs al kon hij zich daaraan geheel toewijden.

Door middel van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs zou dat werk echter beter kunnen worden volbracht, daar zijne leden, over het geheele land verspreid, daartoe zekerlijk gaarne zouden medewerken.

De Raad van Bestuur wendde zich echter tot den Minister van Binnenlandsche Zaken ten einde zijne medewerking in te roepen en het denkbeeld vond zooveel bijval, dat de Minister Thorbecke in den zomer van 1864 besloot het vervaardigen van eene Waterstaatskaart op te dragen aan de ambtenaren van den Algemeenen Dienst van den Waterstaat, onder leiding van den inspecteur F. W. Conrad met dien dienst belast en van den luitenantkolonel J. A. Besier, chef van het topographisch bureau. De ingenieur E. Steuerwald werd daarvoor aan den Algemeenen Dienst toegevoegd.

Na onderzoek en bespreking welke kaart het meest geschikt was voor de bewerking, werd besloten de aan het topographisch bureau vervaardigde stafkaart in flauwen druk als grondslag aan te nemen ; alle zaken, die de Waterstaatskaart behoort aan te geven, konden hierdoor sterker uitkomen.

In November 1864 werd het eerste proefblad den Minister aangeboden.

Uit een nauwgezet en grondig onderzoek in hoeverre de bij de bewerking van dit proefblad gevolgde methode wenschelijk, uitvoerbaar en algemeen toepasselijk was, werd eene algemeene toelichting in den loop van het jaar 1865 voorloopig vastgesteld.

Het blad Amsterdam 4 werd nu dienovereenkomstig bewerkt en den 17den Juli 1865 aan de verschillende hoofdingenieurs van den Waterstaat gezonden om advies en opmerkingen over inrichting en uitvoering.

Na de inwinning van deze adviezen werd de wijze van bewerking van de kaarten en randschriften definitief goedgekeurd en zagen de bladen Amsterdam 3 en 4 in het najaar van 1865 het licht.

Na zorgvuldige overweging omtrent eene goede voorstelling van alle waterstaatkundige gevallen, welke zich in hunne groote verscheidenheid in onze terreinen voordoen, werd besloten om een boezemgebied en al de polders, die daarop uitwateren, steeds dezelfde kleur te geven en de uitgestrektheid der polders door verschil van tint aan te duiden. Een polder, die op twee boezems uitwaterde, ontving breede strepen van twee kleuren. Bij uitwatering op één boezem en één polder of meerdere polders werd de tint dienovereenkomstig in dezelfde kleur gestreept. De polders, welke eerst op een anderen polder uitwateren, alvorens in den boezem te worden gebracht, werden door een donker biesje van hunne zelfde kleur omgeven. Hooge gronden of vrij afstroomend land werden slechts met eene gekleurde bies begrensd en al het water, tot de kleinste stroompjes, ontvingen in dat geval de kleur van het pand waarop zij uitwateren.

De zee en de rivieren zelve werden niet gekleurd, doch alle polders en landen welke in zee of in de open rivier hunne uitwatering vonden, kregen eene geelgroene tint.

Alle waterstaatkundige gegevens en plaatselijke opgaven werden in rood aangeduid, zooals sluizen, molens, stuwen, overtoomen, peilen, hoogtecijfers van het terrein, van kaden en van dijken, peilschalen en peilmerksteenen, benevens de spoorwegen en kunstwegen, terwijl de zee- of rivierbandijken met hunne verdedigings-, oever-, krib- en pakwerken 'in bruin werden aangeduid.

De grootte der polders en stroomgebieden in hectaren volgens meting op de kaart benevens de namen van beekjes en waterleidingen werden mede in rood aangegeven.

De laagwaterlijn en de bij laagwater droogvallende gronden werden blauiv geteekend.

Om de verschillende waterstaatkundige gegevens tot hun recht te doen komen, werd de onderdruk oorspronkelijk in lichtblauwe, later in lichtpaarse tint aangeduid; ware deze in zwart gedrukt, dan zou de Waterstaatskaart onleesbaar zijn en de onderscheiding der kleuren door de vele details der stafkaart onmogelijk zijn geweest.

De inlichtingen van administratie ven aard, als: de administratieve polderindeeling; het beheer door dijkbesturen, heemraadschappen enz. uitgeoefend, de octrooien en concessiën voor verveeningen en droogmakerijen; de beschrijving der boezems met aanwijzing van de sluizen en de door water gedreven molens met de daarbij behoorende afmetingen, de jaartallen van bedijkingen, alsmede eene verwijzing van boekwerken en reglementen, vonden eene plaats op den rand van de kaart in het zoogenaamde i'andschrift.

Het oordeel over de eerstverschenen nummers was op enkele uitzonderingen na zeer gunstig.

Met de inrichting en uitvoering kon men zich zeer goed vereenigen, de gegevens werden volledig en belangrijk genoemd, de uitvoering keurig en zuiver; zoowel bij den eersten aanblik als na een aandachtig onderzoek van het werk in zijne onderdeelen, maakten de bladen een zeer gunstigen indruk en bevatte het randschrift zeer vele interessante opgaven.

De waterstaatkundige toestand weer te geven op de zoo uitvoerig bewerkte topographische kaart was inderdaad een gelukkig denkbeeld, het personeel van het topographische bureau zou van de uitmuntende Waterstaatskaart wel weder een waar kunststuk maken en deze arbeid werd de gewichtigste genoemd, die in een lange reeks van jaren was uitgevoerd. Deze kaart zou gegevens bevatten, om hoogst belangrijke vraagstukken van den Waterstaat tot oplossing te brengen en zelfs werd het niet onmogelijk geacht, dat zij nuttig zou zijn bij het samenstellen van een wet op den Waterstaat.

De onderdruk zelf was oorspronkelijk te flauw, doch daarin is later verbetering gebracht; alleen meende men dat het voor het gebruik van de kaart wenschelijk was, dat de verschillende gedeelten tegen elkaar gelegd konden worden.

Hiervoor gaf het raadslid F. W. Conrad in de vergadering van het Kon. Instituut van ingenieurs dato 13 Februari 1866 een middel aan de hand.

Het blad kon langs den rand van de eigenlijke kaart doorgesneden en het geheel daarna op linnen geplakt worden, zoo doende kon men het randschrift omvouwen en aanpassing was mogelijk.

De belangrijke opnemingen en verdere werkzaamheden waren en zijn nog toevertrouwd aan de zorgen van den hoofdingenieur belast met den Algemeenen Dienst, onder toezicht van den hoofdinspecteur van den Waterstaat en werden onafgebroken voortgezet respectievelijk door de ingenieurs E. Steuerwald, W. H. Hubrecht, M. B. G. Hoogerwaard, D. N. Labrijn, G. A. Escher, H. A. van der Maten, J. A. E. Musquetier, P. H. Kemper, C. B. Schuurman, A. B. Albers, C. J. Kool, Jhr. H. van Capellen, R. J. Castenduk, E. R. van Nes van Meerkerk, N. A. M. van den Thoorn, H. F. Beijerman, J. G. Ermerins, M. E. de Wildt, D. J. van Lennep, F. L. S. F. Baron van Tuyll van Serooskerken, H. Wortman, P. H. A. van Wamel, Jhr. C. E. Bloys van Treslong, Joh. Krap, T. J. W. van Rossum, Jhr. G. G. Calkoen, A. B. Marinkelle, K. Pringle, G. Rooseboom en F. A. Kloppert en door de ambtenaren D. J. Stam en J. H. Bogaerts die allen achtereenvolgens bij den Algemeenen Dienst werden geplaatst of benoemd.

In den regel waren drie ambtenaren met de vervaardiging belast en werden de proefbladen aanvankelijk ter inzage gezonden aan den betrokken hoofdingenieur van den Rijks Waterstaat en aan den kolonel van den generalen staf.

Later werden zij behalve aan den hoofdingenieur van den Rijks Waterstaat ook ter inzage gezonden aan de hoofden van den Provincialen Waterstaat in de betrokken provincie.

De topographische kaart van Nederland bestaat uit 62 bladen, waarvan 8 kleine (halve).

In den regel werden voor de Waterstaatskaart de groote bladen in 4, de kleine in 2 gelijke stukken verdeeld.

Elk stuk werd als afzonderlijke Waterstaatskaart behandeld en verkreeg den naam van het blad der topographische kaart, met bijvoeging van een der volgnummers 1, 2, 3 of 4.

De gedeelten van de bladen Ameland en Harlingen van de topographische kaart, die te zamen het eiland Terschelling vormen, werden vereenigd tot één geheel en verkregen den naam van Terschelling.

Eenige bladen van de topographische kaart, waarop slechts een klein gedeelte van Nederlandsen grondgebied voorkomt, vervielen, wanneer er geen reden bestond om hiervan een afzonderlijk blad van de Waterstaatskaart te vormen; die gedeelten werden dan gevoegd bij de aangrenzende bladen, zooals Ahaus op Groenloo 2 en Denekamp 2, Herenthals op Valkenswaard 1, Peer op Sittard 3.

Evenzoo werden ter beperking van het aantal bladen der Waterstaatskaart gedeelten nabij de grens of nabij de zee waarop slechts een klein gedeelte Nederlandsch grondgebied voorkomt, gevoegd bij de aangrenzende bladen, o.a. Kadzand bij Sluis, een gedeelte van Sittard bij Heerlen 2 en een gedeelte van Maastricht bij Heerlen 3.

Op deze wijze werden in het geheel 183 bladen van de Waterstaatskaart gevormd.

Tijdens de uitvoering is steeds dezelfde methode gevolgd en