is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 4, 23-01-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 4-

40

deelen, door al wat landbouw betreft, met handel en nijverheid te vereenigen, en waterstaat naar een ander departement over te brengen, zou wellicht het geschikst zijn, als men eenmaal concentratie van landbouwbelangen noodzakelijk acht. Het is dan echter de vraag, of dit in 't algemeen belang beter ware dan waterstaat met handel en nijverheid verbonden te laten. De Regeering meent hieromtrent, dat het «vooral in ons land, van oudsher voor het vervoer der producten van zijn handel, nijverheid en ook landbouw als het ware aangewezen op en beroemd door zijn waterwegen, toch een eenigszins bevreemden indruk moet maken te vernemen, dat «waterstaat en handel en nijverheid, twee volmaakt heterogene zaken zijn», — en evenzeer dat gemelde waterstaat — waarbij de verdediging van wateraan- en afvoer van den bodem zoo van nabij betrokken is — «in weerwil daarvan toch opzettelijk van den landbouw wordt gescheiden». En waarom spoorwegen, wegens de handelsbelangen, wèl, maar posterijen en telegraphie, daarmede zeker even nauw verbonden, niet bij het departement van handel en nijverheid laten? En, zoo ja, zal dan de omvang van het betrokken departement daarmede verminderen, dat de daarvan verwachte betere behartiging der landbouwbelangen zich zal verwezenlijken?

Aldus de Mem. van Antw. Het komt ons voor, zegt het «Handelsblad», dat de Regeering de zaak als moeilijker voorstelt dan zij is. Elke verdeeling der Staatszorg over de verschillende departementen zal bezwaar opleveren, wegens den samenhang der verschillende belangen. Een goede verdeeling van arbeid, waardoor alles zooveel mogelijk tot zijn recht komt, moet worden gevonden en daarbij moet — dunkt ons ■— vooral gelet worden op de belangen die in zeker tijdperk op den voorgrond treden. In 1877 was voor de verkeersmiddelen, spoorwegen en waterwegen zeer veel te doen en daarom was toen de vorming van een Ministerie van Waterstaat (of liever openbare werken) noodig geworden. Thans vorderen landbouw, handel en nijverheid bijzondere zorg, ook in verband met de zoogenaamde sociale wetten, die in aantocht zijn. Concentratie daarvan in één hand schijnt daarom een eisch van den tijd te zijn, en wegens de internationale beteekenis dier onderwerpen, ware de Minister van Buitenlandsche Zaken wellicht het meest aangewezen, om tevens Minister van Landbouw, Handel en Nijverheid te worden. De openbare werken — waaronder spoor- en waterwegen, posterijen, telegraphie en telephonie — zijn omvangrijk genoeg om aan een anderen Minister volop werk te geven. Voor de eenheid van beheer en onderling overleg bij aan elkaar grenzende belangen, moet, als thans, de Ministerraad waken.

Hoe dit zij, ten volle verdient waardeering en behartiging wat de Regeering ten slotte opmerkt: «Ook voor den landbouw hangt de welvaart niet in de eerste plaats af van organisatie van boven, maar van veerkracht, degelijkheid en bekwaamheid van beneden. Het ware bedenkelijk indien een tegengestelde meening allengs post vatte».

Inderdaad, zonder krachtige samenwerking en inspanning van grondeigenaars en landbouwers zeiven, zal zelfs de knapstse Minister van Landbouw niets baten. Toch kan een goede «organisatie van boven» veel doen om de «veerkracht en inspanning van beneden» gaande te houden en steun te geven. Op den duur kan dan ook — naar onze overtuiging — zulk een betere «organisatie van boven» niet uitblijven.

Geologisch en Landbouwkundig onderzoek van Suriname.

In de vergadering van Donderdag 10 en Maandag 14 December is door de Staten behandeld de verordening betreffende de vergunning tot het instellen van een geologisch en landbouwkundig onderzoek van een deel der kolonie Suriname.

Bij de algemeene beraadslaging betuigde de heer Muller zijn ingenomenheid met de aanvraag van het syndicaat-de Gelder c. s., welke hij een verrassing noemde, een «merkwaardig verschijnsel, toe te schrijven voor een deel aan het veelzijdig ontwaakt vertrouwen in de toekomst van Suriname, voor een ander deel aan het feit dat de regeering ten deze zelf is voorgegaan door de rentegarantie verleend aan de twee leeningen voor immigratie en ter uitvoering van productieve werken,— hoofdzakelijk echter is de goede stemming jegens Suriname te danken aan het krachtig en enthousiast woord door den wakkeren Van Eeden in zijn : «Een verwaarloosd erfdeel, in het belang der kolonie uitgesproken». Liever had de heer Muller evenwel het

onderzoek door de regeering uitgevoerd gezien; in dat geval zou het resultaat algemeen domein zijn. De nijveren die daarvan gebruik zouden willen maken om nieuwe ondernemingen in 't leven te roepen, zouden weten op welken grondslag die op te bouwen, en de regeering, die op haar beurt de betrekkelijke concessiën zou moeten verleenen, zou weten waaraan zich te houden. De minister van Koloniën heeft het laatste niet gewild, misschien wel niet onkundig zijnde van de voornemens van het comité-de Gelder. Hoofddoel van de aanvraag is — zoo vervolgde de heer Muller — de aanleg en de exploitatie van de tram waardoor de exploitatie van de geheele landstreek mogelijk wordt; tegenover de kosten van aanleg stelt het comité aan de kolonie een voorwaarde, waaromtrent de vraag gelden mag of zij niet te veel eischend is en of zij niet te groote bezwaren oplevert dan dat ze onbedingd mag worden toegestaan ? En de tarieven van den tramweg, zal het Bestuur daarin gekend worden ? De heer Muller had gaarne gezien, dat nu reeds de Staten van dit onderwerp meer afwisten. Het is waar, het belangrijkste valt nog te regelen — daarom kwam hem de beste oplossing voor te zijn: de aanneming van het voorstel van het comité zelf, dat de regeeiing door in de kosten van het onderzoek te participeeren, deel krijgt in het bestuur der eventueel op te richten maatschappij en zoo de leiding der zaak in handen houdt, althans een overwegenden invloed uitoefent op den gang van zaken.

De algemeene beraadslaging liep verder nagenoeg uitsluitend over een bedenking van den heer Ellis, uitgedrukt in zijn voorstel: om de behandeling te verdagen tot de concessie-de Villeneuve c. s, zal zijn onderzocht; dit voorstel werd ingetrokken en vervangen door een ander van hetzelfde lid der Staten : «een nieuw onderzoek in de afdeelingen te openen van het ontwerp thans aan de orde en dat wel in verband met het adres-de Villeneuve c. s.» Over dit voorstel staakten de stemmen. In de volgende vergadering werd ook dit door den voorsteller ingetrokken, «met beleefd verzoek om verschooning voor het oponthoud.»

De verordening is, nagenoeg zonder beraadslaging, met algemeene stemmen goedgekeurd.

STATEN-GENERAAL. De Waterstaatsbegrooting voor 1897.

DEBAT TWEEDE KAMER.

(Vervolg van bladz. 30).

Bij art. 56 voelde de heer Lucassen zich gedrongen den Minister te verzoeken beter dan in de laatste jaren de hand te laten houden aan de bepalingen van het bij K. K. vastgestelde reglement op het baggeren enz. in de Zeeuwsche stroomen. Dit reglement bevat een verbod om, behoudens verkregen vergunning van den Minister, binnen 500 M. uit de waterkeering enz., schelpdieren te visschen. Een zeer nuttige bepaling, want dit visschen geschiedt in den regel zoo, dat daaruit schade voor oeververdedigingswerken en, in nog sterker mate, voor onverdedigde achteruitgaande onderzeesche beloopen moet voortvloeien. Volgens den heer Lucassen nu wordt daarmede in den laatsten tijd de hand gelicht. Er zijn, meent hij, vergunningen verleend voor plaatsen, waar het visschen inderdaad bedenkelijk moet worden geacht, en, wat nog sterker klinkt, behoorlijk geconstateerde overtredingen worden somtijds «op last van hooger hand» (de heer L. liet in het midden van wien) onvervolgd gelaten. Daar de heer Lucassen geen bepaalde feiten noemde, moest het den Minister moeilijk vallen een «schlagend» antwoord te geven. Z. E. bepaalde zich tot de verzekering, dat eene behoorlijke naleving van het reglement in de bedoeling ligt.

Op wel wat vluchtige wijze stelde bij een volgend artikel (No. 61) de afgevaardigde uit Wijk-bij-Duurstede, de heer De Beaufort, de zeer ver strekkende vraag, of het niet wenschelijk zou zijn de wet op de calamiteuse polders, die, zooals men weet, alleen in Zeeland van kracht is, op noodlijdende polders, waar ook in het Rijk gelegen, van toepassing te verklaren. De quaestie werd door den heer De Beaufort opgeworpen naar aanleiding van de lijdensgeschiedenis van den Béthunepolder in Utrecht, een droogmakerij, waarvan de bemalingskosten zoo buitensporig hoog zijn, dat de polder, zeer ten nadeele van de omringende landerijen, door de eigenaars aan het water dreigt te worden prijsgegeven.

Het wil ons voorkomen, dat een vraag als deze een grondiger behandeling vereischt dan de heer De Beaueort behoefte scheen te gevoelen er aan te gunnen en het verwondert ons ook niet, dat de Minister zich eenigszins met een «Jantje van Leiden» van de zaak afmaakte. Z. E. gaf het volgend antwoord:

«De wet van 1870 op de calamiteuse polders heeft uitsluitend op Zeeland betrekking en zal, naar ik meen, bezwaarlijk eene uitbreiding