is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 14, 03-04-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

159

M 11.

minderheid bezwaren had van financieelen en economischen aard. Die bezwaren doen zich als van zelf voor, men moet ze op dezen weg ontmoeten en licht te tellen zijn ze niet, en het is een goede daad van hen, die ze in het licht stelden, duidelijk en onbewimpeld. Op de meest kundige wijze werden de economische bezwaren in Be Economist uiteengezet, wat getuigde van liefde tot de zaak, doch van platonische liefde, niet getuigende van geestdrift. Dit stuk tintelt van geest, geeft bewijs van de kunst om licht en bruin naast elkaar te zetten, maar er wordt geen visioen van werkelijkheid uit geboren, en dat had bij zulk een stuk toch het geval moeten geweest zijn. Uit dit stuk blijkt ten slotte niet wat er dan eigenlijk geschieden moet. Het is allervoortreffelijkst gezegd dat nog andere zaken op bevrediging wachten, doch daarmee is nog niets beslist; het is geestig gezegd den visschen vooreerst het water nog maar te gunnen, doch als men die visschenliefde op den voorgrond zet, dan komt de Zuiderzee nimmer droog.

Wanneer men het program der Liberale Unie nog bindender wil maken door de droogmaking der Zuiderzee, dan worden het geen programma's, dan worden het keurslijven. De economische bezwaren kan men terugbrengen tot de drie volgende : Allereerst zegt men dat de nationale arbeid een andere richting zal krijgen door de drooglegging der Zuiderzee, doch feitelijk geen andere kracht zal worden geschonken. En er wordt gevraagd of er na de voltooiing van den arbeid nog arbeid zal gevonden worden. Maar deze vraag vindt in menig historisch feit haar oplossing. Werd de drooglegging op eens en overhaast ondernomen, het bezwaar zou onmiskenbare waarde hebben, doch men wil het werk niet overhaast ondernemen, men kan ' het, ook in 33 jaren, op verschillende wijzen inrichten. Bij dezen arbeid heeft men niet altijd alleen in te roepen den arbeid van poldergasten, doch is die in één polder voltooid dan kan men komen tot eigenlijke landarbeiders voor dien eenen polder, terwijl de poldergasten nog in den andere bezig zijn. In niet geringe mate is toepasselijk het stelsel van coöperatie. Spr. ziet niet in, waarom men niet dadelijk bij het tot stand komen deipolders er den boer en zijn knechten zou kunnen toelaten ; hij ziet niet in waarom verschillende vereenigingen daar niet reeds toe zouden medewerken. In dezen tijd ziet men veel doen om te komen tot wat men noemt «bescheiden heide-geluk», wat misschien zal geven te veel heide, doch te weinig geluk, want de heide is niet ruim in haar dankbaarheid en uiterst langzaam en dat houdt haar waarde voor den kleinen man tegen. Men vraagt : hoe zal men den gewonnen grond aan den man brengen en komen tot de opbrengst, beantwoordende aan de kosten aan den grond besteed ? Spr. zou in deze onvoorwaardelijk willen instemmen met het stelsel der Staatscommissie om den grond te geven in erfpacht. Geen ander stelsel acht spr. in deze mogelijk. Hij ontkent de bezwaren der erfpacht, zooals wij die kennen, niet, doch zou het niet mogelijk zijn door wijziging van het burgerlijk wetboek die bezwaren grootendeels op te heffen ? Daar zijn ontegenzeggelijk moeilijkheden aan verbonden, maar de gang van onze wetgeving en de geest, die haar zal bezielen, is een andere dan die wij in onze schoolsche dagen hebben vermoed ; de idéé der gemeenschap is sterker geworden dan de idéé van den souvereinen individu. Niet de verkoop, niet de vervreemding van het land is het groote bezwaar, zegt men, doch de waarde van het land, die van graanprijzen, enz. zal afhangen. Spr. erkent dit bezwaar, doch niets is zoo onberekenbaar als het spel der economische wisselingen; zeker, er zijn wetten, die men niet ontkennen kan, doch niemand kan zeggen hoe op een gegeven moment de verschillende kansen der graanmarkt zullen staan. Spr. durft zich op dit gebied niet wagen, doch iedere profetie op dit gebied is dikwerf gelogenstraft en iedere logenstraffing dikwerf overhaald.

Een groot bezwaar is de afsluitdijk. Om verschillende redenen wil men er niet van weten, omdat men daardoor een partieele droogmaking onmogelijk maakt. Maar juist om deze redenen juicht spr. den afsluitdijk van harte toe. Dit is misschien geen zeer technische reden, doch als men den afsluitdijk ter zijde laat en begint met één polder, om later andere te laten volgen, dan gelooft spr. dat men den dijk niet leggende, nooit komt tot de drooglegging der Zuiderzee, dan zal het werk partieel blijven en een torso worden. Men wil zich dan zelf den weg openen om het werk gedeeltelijk te volbrengen en zal nooit tot voldoening komen. Men beweert dat de meeste droogmakingen verliezen opleverden, doch is dit niet met alle groote werken het geval? Hebben niet bijkans alle groote werken offers gekost, maar is dan toch niet volhard ? En is het dan niet beter de schepen te

verbranden, dan met onverbrande schepen den slag te verliezen ? Men moet bij den mensch steeds rekenen op een mengsel van kracht en van zwakheid en daarom moet men hem niet gelegenheid tot weifelen en wankelen geven.

Dit werk noemt spr. nuttig en noodzakelijk voor ons volk. Een volk moet van tijd tot tijd een groot werk verrichten en een grooten arbeid wagen zonder te zien op de groote kosten en op de winst. Dit steeds doende komt men er niet. Als wij deze staatkunde thans volgden ten aanzien onzer koloniën, dan lieten wij ze verwaarloozen, doch wij houden er aan vast, omdat zij zijn een eer en een kracht voor ons volk. Een groote aVbeid verheft een volk; geeft het een krachtig bewustzijn; maakt dat het groote vraagstukken op zedelijk gebied zal durven oplossen; zich zal durven bezielen met groote geestdrift voor een nationale zaak. Als Nederlander levende met zijn volk, meent spr. dat dit volk, dat op het water zijn groote admiralen, op het land zijn groote ingenieurs had, nog eens zal toonen door groote daden dat het zijn vaderen waard is.

Mr. Mouthaan bracht den spreker hartelijken dank voor zijne rede. Terecht, meende hij, had de inleider het meest stil gestaan bij de sociale zijde der zaak. Dergelijke zaken dienen te staan op de programma's van iedere partij, in dit opzicht zou spr. ze bindend willen hebben. Spr. hoopt dan ook dat allen de geestdrift voor de drooglegging der Zuiderzee op anderen zullen overbrengen ; dat men den aanstaanden vertegenwoordigers naar de Kamer zal vragen wat zij denken over deze zaak.

Daarna sloot spr. de vergadering.

De spoorweg Luik—Limburg.

De buitengewone algemeene vergadering van aandeelhouders deiMaatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, welke den 29™ Maart te Amsterdam zou plaats hebben is niet kunnen doorgaan wegens onvoldoende opkomst en verdaagd tot den 12™ April.

Het doel der vergadering is het behandelen van de overeenkomst met de Belgische Regeering betreffende den spoorweg Luik—Limburg. Van deze onderneming gaan, zooals men weet, de lijnen over aan den Belgischen Staat. Die lijnen worden geëxploiteerd door de Nederlandsche Exploitatie-Maatschappij. Vandaar dat deze bij de overeenkomst betreffende de overneming door den Belgischen Staat eene der betrokken partijen is. Uit haren naam hebben de heeren J. L. Chjysenaer (directeur-generaal) en W. M. J. Werker medegewerkt aan het opstellen van de bedoelde overeenkomst, welke thans aan de goedkeuring der aandeelhonders van de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen wordt onderworpen. Wij laten hier een overzicht van den inhoud der overeenkomst volgen. De titel is: «Convention relative a la cession du réseau de chemins de fer Liégeois-Limbourgeois et ses prolongements».

Artikel 1 behelst dat de overneming (rachat) door den Belgischen Staat betrekking heeft op :

a. de terugneming van de concessie en de exploitatie van de volgende lijnen :

In België :

1°. De spoorweg van Tongeren naar Bilsen, waarvoor concessie is verleend hij Koninklijk besluit van 14 Juni 1861, uitvoering gevend aan art. 2 van de wet van 2 Juni 1861 ;

2°. de spoorweg van Tongeren naar Ans via Glons, de zijtak naar Luik via Herstal en de voorstad Vivegnis, en de zijtak naar de steenkolenmijnen van Nord de Liége, waarvoor concessie is verleend bij Koninklijk besluit van 21 November 1862, uitvoering gevend aan art. 1 letter c van de wet van 12 Aug. te voren ;

3°. de spoorweg van Béverst naar Hasselt en de zijtak welke bij het station Hasselt aanvangt en eindigt bij het verbindingskanaal van de Maas met de Schelde, waarvoor concessie is verleend bij Kon. hesl. van 9 Sept. 1863, uitvoering gevend aan art. 3 letter a van de wet van 31 Mei te voren ;

4°. de spoorweg van Hasselt naar de Nederlandsche grens in de richting van Eindhoven, waarvoor concessie is gegeven bij Kon. besluit van 1 Juli 1864, uitvoering gevend aan art. 1 letter c van de aangehaalde wet van 12 Augustus 1862.

In Nederland :

de spoorweg van de Belgische grens naar Eindhoven.

Deze lijnen worden overgedragen, met hare aansluitingen aan de steenkolenmijnen, fabrieken, enz., onverschillig of deze aansluitingen al dan niet gemaakt zijn ingevolge de aangehaalde concessiën, en voor zooveel de Maatschappij van den spoorweg Luik—Limburg en van de Nederlandsche Maatschappij recht hebben er over te beschikken.

Deze spoorwegen worden thans voor gemeenschappelijke rekeningvan de beide contracteerende maatschappijen geëxploiteerd door de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, krachtens de twee conventiën van 27 en 28 Maart 1864 met een additioneel artikel bij deze laatste van 6 Mei 1867.

6. De afstand, behoudens goedkeuring door de Nederlandsche Regeering, van alle rechten, toekomende aan de contracteerende maatschappijen op het gedeelte der lijn van de Belgische grens tot Eindhoven,