is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 14, 03-04-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

163

M 14.

ceelen tot uitbreiding der stad Arnhem, later de wet van 1 September 1854 (Staatsblad no. 127). (Zie de Memorie van Toelichting, blz. 716, en het Eindverslag van de Commissie van Rapporteurs blz. 732 van de Bijlagen tot de Handelingen, Tweede Kamer 1853/54). En daar gold het eene stadsuitbreiding, welke zoowel strekte «tot verfraaiing als tot bevordering van gezondheid en verbetering van gemeenschap tusschen de verschillende deelen der gemeente».

Dat de eischen der hygiëne voor den tegenwoordigen toestand inderdaad eene voorziening als in het ontworpen plan wordt voorgenomen vorderen, is in een rapport van den inspecteur voor het Geneeskundig Staatstoezicht voor Zuidholland, die daaromtrent opzettelijk is gehoord geworden, overtuigend aangetoond.

Hij schrijft o. a.: «Het bestaande is onhoudbaar. Alle afval kan slechts worden afgevoerd in de polderslooten, die wel heeten te worden bemalen door het te Hillesluis geplaatste stoomgemaal, doch waarin daardoor geene behoorlijke doorspoeling is te verkrijgen.

«De talrijke huizen gedurende de laatste jaren aldaar verrezen, zijn omringd door slooten, gevuld met eene stagneerende, rottende, halfvloeibare massa, niettegenstaande reeds gedurende jaren de menschelijke faecaliën in tonnen zijn weggevoerd.

«Slechts krachtige bemaling van een aan te leggen gesloten riolennet zal hierin verbetering kunnen brengen; doch de gemeente zal tot dien aanleg niet in staat zijn, zoolang zij niet meesteresse is van geheel het terrein dat binnen korten tijd in de bebouwing zal vallen».

Dat bij deze onteigening particuliere belangen schade zullen lijden; dat de uitvoering van het voorgenomen werk tot gevolg zal hebben, dat eene geheele kerkbuurt verdwijnt, mag niet zulk een overwegend gewicht in de schaal leggen, dat men daarom de onteigening zou weigeren.

De leden die de meening uitspraken, dat de bezwaren in het ingevolge art. 8 der wet van 28 Augustus 1851 (Staatsblad no. 125) uitgebracht advies van burgemeester en wethouders niet afdoende zijn weerlegd geworden, zien, naar het schijnt, over het hoofd, dat die bezwaren veelal betreffen de schadeloosstelling, of zich in de bepaling van die schadeloosstelling zullen oplossen en dus eerst bij de onteigening zelve te pas komen, in elk geval voor verreweg het grootste

gedeelte met gencnt zijn tegen het algemeen nut van het plan, waarvan hier de rede is.

Wat de plaats voor de haven betreft, deze is door het gemeentebestuur op zoo juiste gronden verdedigd, dat de ondergeteekenden daaraan niets hebben toe te voegen. Ook te dezen opzichte kan worden verklaard dat het werk slechts daar ter plaatse ten meesten nutte van de gemeente strekt.

Trouwens, waar de raad eener gemeente na rijp overleg besluit tot den aanleg van een werk zoo kostbaar en belangrijk als de ontworpen havenaanleg, mag wel worden aangenomen, dat de plaats, voor dat werk gekozen, in alle opzichten als de beste en voor het doel meest geschikt is aangewezen».

Deze Memorie draagt de handteekening der Ministers van Waterstaat en ven Binnenlandsche Zaken.

Bij de openbare beraadslaging over het ontwerp, den 10d™ Maart jl. in de Tweede Kamer gehouden deed alleen de heer Heemskerk zich als bestrijder kennen. Wel achtte hij het wetsvoorstel niet in strijd met de onteigeningswet, maar hij trok in twijfel of de Kamer niet bevoegd was deze onteigening te decreteeren, voornamelijk omdat het gemeentebestuur z. i. in gebreke is gebleven aan te toonen dat voor de grondberging absoluut geen ander middel is dan het gebruik der daarvoor bestemde 225 H.A.

De Minister van Waterstaat beantwoordde de rede van den heer Heemskerk als volgt:

«De heer Heemskerk heeft er op gewezen, dat de oppervlakte der |

aan te leggen haven betrekkelijk klem is ten opzichte van het terrein dat onteigend zal worden. Hij stelde daarbij tegenover elkander de grootte van het watervlak en de grootte van het geheele te onteigenen terrein.

Dat is niet juist.

Bij eene haven behooren kaden ; daaromheen moeten wegen, dijken, enz. worden aangelegd, die behoorlijke exploitatie van de haven mogelijk maken. Ook moet de uitgegraven grondspecie geborgen kunnen worden. Dit is een voornaam punt ten aanzien waarvan steeds het beginsel is gehuldigd, dat het vrijstaat om ten behoeve van jdie grondberging terreinen te onteigenen. Het zou namelijk een onmogelijke eisch zijn indien de grondspecie slechts vervoerd zou kunnen worden naar terreinen, waarover de beschikking slechts bij minnelijken aankoop zou kunnen worden verkregen en die wellicht veel minder gerieflijk gelegen zouden zijn.

Het geval zou zich kunnen voordoen, dat die in casu naar zee gevoerd zouden moeten worden, wat de kosten van het werk enorm zoude verhoogen. Eene dergelijke opvatting voor de toepassing der onteigeningswet werd dan ook nooit gehuldigd ; integendeel, altijd heeft als regel gegolden, dat de grondspecie geborgen moet kunnen worden in de onmiddellijke nabijheid van het werk. En dat behoort te geschieden op doeltreffende wijze. Men kan die grondspecie niet tot hooge bergen opstapelen en daarnaast kuilen laten bestaan ; dat zou, behalve dat bet veel geld zou kosten, ongewenschte toestanden in het leven roepen, belemmerend voor het verkeer, nadeelig voor den gezondheidstoestand.

De grondspecie moet op oordeelkundige wijze kunnen uitgespreid worden, zoodat het opgehoogde terrein dienstbaar kan worden voorde

verschillende wegen en inrichtingen die met het havenplan verband houden, ook ter bevordering van eene goede gemeenschap tusschen de op te hoogen en de laag gelegen polderterreinen. Uit dit oogpunt moet de zaak worden bezien.

Als men het werk wil uitvoeren op eene wijze die niet strijdt met de belangen waarover het gemeentebestuur heeft te waken, als men iets werkelijks goeds wil maken, dan is, in casu, geen andere, althans geen betere, oplossing mogelijk dan die, welke hier wordt voorgesteld.

Op dien grond heeft de Regeering vrijheid gevonden dit wetsontwerp aanhangig te maken».

Het debat werd hierop gesloten en bij de stemming bleek dat behalve den heer Heemskerk slechts 5 leden overwegend bezwaar tegen het ontwerp hadden.

Maart 1897. Th. Sik.

Weerkundige waarnemingen te Utrecht, 8 uur voormiddag.

Barometer- w, fl mn^^sbt' Tempera- Neerslag 1 89 7. sta°^in richting. Beaufort 'uur graden in mM- 10-d. sch. Celsius. MM.

26 Maart 763.5 W. 3 8.1 _

27 » 751.4 Z.W. 7 9.1 1

28 » 752.2 W.Z.W. 3 8.3 _

29 » 742.3 W. 2 7.3 4

30 » 752.4 W. 2 6.7 1

31 » 748.9 W.Z.W. 2 6.1 — 1 April 737.2 N.O. 4 1.7 10

RIVIERBERICHTEN.

Keulen. .... . Wester- Maas-

1897. 7 »«r Lobith. N«™e- A™,- voort, tricht. Veulo. Grave.

m. een. nem. reg pl (brag),

27 Maart 39.82 12.64 10.34 10.31 10.90 42.82 11.29 7.81

28 » 39.66 12.48 10.22 10.19 10.78 42.71 11.14 7.63

29 » 39.59 12.33 10.08 10.06 10.64 42 66 11.05 7.52

30 » 39.51 12.25 10.01 9.98 10.58 42.68 11.04 7.43

31 » 39.46 12.17 9.91 9.89 10.50 42.69 11.07 7.38

1 April 39.45 12.11 9.85 9.84 10.44 42.64 11.02 7.37

2 » 39.60 12.10 9.81 9.80 10.41 44.07 11.04 7.34

Het Amsterdamsch peil wordt voor de hoogten die dienovereenkomstig zijn bepaald, aangegeven door N.A.P., en de waterhoogten worden dus voortaan in meters volgens N. A. P. uitgedrukt.

De waterhoogten betrekkelijk de nul der oude schaal blijven natuurlijk onveranderd.

Na I Januari 1893 worden de opgaven der waterwaarnemingen aan de peilschalen langs de rivieren, voorkomende in de „Staatscourant", herleid tot het Amsterdamsche peil, volgens de uitkomsten der nauwkeurigheidswaterpassingen en de waterpassingen van den Algemeenen dienst van den Waterstaat.

Keul. Lob. Nijm. Arnb. YeTfr^brug' Ven,° Qmye

=^ I I P-s. bm8' I _

Nul der oude schaal. 35.94 13.62 6.14 6.71 — 7.22 42.01 — 4.80 Laagste stand bij open water teKeulen, met daarmede overeenkomende water- j vroeger I

standen 36.94 9.08 6.79 7.27 7.85 7.72 8.53 4.80

141.201 / thans

standen overeenkomende met 1.50 M. ™fr + peil te Keulen . . 37.44 9.50 ^|°J 7.64 8.21 8.06 8.68 4-85

'thans

Gem. zomerst. (1 Mei

— INov.) 1851-1860. 38.89 — 8.90 8.74 — 9.40 42.64 9.84 5.96

Gem. zomerstand

1861—1870 38.37 10.83 8.39 8.29 — 8.84 42.43 9.35 5.45

Gem. zomerstand

1871—1880 38.92 11.14 8.77 8.80 — 9.27 42.68 9.62 5.77

Gem. zomerstand

1881—1890 38.75 10.96 8.64 8.76 9.36 9.23 42.68 9.81 5.99

Merk III. (Verbod

van stoomvaart). . . 43.74 15.41 12.54 12.47 — _ — _ _ Hoogste stand bij

open water 45.45 16.39 13.42 13.04 13.75 13.42 46.76 18.01 11.21