is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 20, 15-05-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M SO.

pende tot 2 M + volzee. Maar dat strand mag niet van zand zijn, omdat het bovendien niet meer door de zee moet kunnen -worden meegevoerd. Harder, aan zeewater, branding en golven weerstand biedend materiaal is noodig en wel hout en steen. Maar het gaat niet aan om het geheele strand met een laag van die bouwstoffen te bekleeden. Men bepaalt zich tot smalle strooken, zoo dicht bij elkaar als noodig is om het tusschenlio-gende strand voldoende te dekken. Zoo ontstond het systeem der strandhoofden, in Zeeland, Holland, Vlieland, onlangs nog te Scheveningen, toegepast. Spreker geeft een dwarsdoorsnede van een strandverdediging met zulke rijzen hoofden,wier onderlinge afstand, zal het strand «in rust» blijven, niet meer bedragen mag, dan 1 /2 maal de lengte. Zeewaarts reiken zij tot laag water, afhellende onder 50 op 1. Zij hebben een verrassende uitwerking; zooals spreker zeer suggestief laat zien uit een teekening van het strand benoorden Petten ; een vergelijking van de gemiddelde stranddoor-

.-. . . . . ir i Aoar\ AQQf. rlaarna

snede voor den aanleg oer en nooiueu, ïoou—.

in 1887. Na dien aanleg ook geen blijvende duinafneming meer. Integendeel; zoo sloeg de stormvloed van 31 Jan. 1877 groote doorbraken in den buitenduinketen van Petten, in die mate dat het droge strand geheel was verdwenen en bij eenigermate hooge vloeden het zeewater in de doorbraken kwam. In 1878—1881 gelukte het die drie doorbraken, te zamen 800 M. lang, te dichten met aangestoven kunstmatige zanddijken. Men wendt daartoe aan rietschuttingen die het aanstuivende zand tegenhouden en zoo worden stuifdijken gevormd. Maar omdat het strand niet met hoofden verdedigd werd, vernielde één stormvloed, die van 14 October 1881, alles weder. Eerst na den aanleg van strandhoofden is de dichting nogmaals beproefd. En toen dit gelukt was, is weer een blijvend strand geschapen, als de eerste voorwaarde tot instandhouding van den nieuwen buitenduinregel en de stuifdijken zijn behouden gebleven. Elke M3. zand van die stuitdijken is door den wind aangevoerd en heeft gemiddeld slechts 1 cent gekost. ,

Spreker maakt nu nog een paar opmerkingen. Wanneer ae vorming van een nieuw strand van voldoende flauwe helling tusschen en achter de strandhoofden niet geregeld en snel genoeg plaats vindt dan is dit een bewijs dat de afstand der hoofden te groot is in verband met de ligging ten opzichte van de heerschende winden en met de helling van het natte strand, die op hare beurt voornamelijk door de diepte van de zee vóór de hoofden wordt beheerscht. Men verlengt de hootden dan zeewaarts; daardoor wordt de onderlinge afstand der hoofden betrekkelijk kleiner ten opzichte van de lengte, en er ontstaat dus grootere dekking van het strand.

Is dit middel te kostbaar, dan kan men, als er, zooals op Vlieland, duinen zijn, die nog voldoende breed zijn, de meerdere lengte der hoofden ook landwaarts zoeken. Maar is er slechts een smalle duinregel als eenige zeewering overgebleven, dan is die landwaartsche verlenging der hoofden niet mogelijk. (Een dergelijk geval doet zich voor te Scheveningen tusschen de Keizerstraat en de sociëteit Neptunus.) De stabiliteit van den duinvoet moet dan door steenglooüng tegen achteruitgang beveiligd worden. En zelfs bij breede duinen is, aan de kust van Holland, waar plaatselijke terugtrekking in Oostelijke richting van het duin het doorgaand alignement van de kustlijn zou verbreken, die zooveel goedkoopere landwaartsche verlenging der hoofden niet aan te bevelen.

De vraag zou kunnen rijzen, waarom vóór de Hondsbosscne-, Pettemer en Westkappelsche zeeweringen, waar toch volledige reeksen van strandhoofden liggen, geen toestand van rust, laat staan dan van aanwinst, ontstaat. Maar die hoofden neDDen hier een geheel andere bestemming. Zij dienen tot behoud en bevestiging van den onder regelmatig profil gebrachten, niet klei en steen bekleeden laatsten buitenregel der duinen, die feitelijk bestaat uit de zeewering. De helling van den onderzeeschen oever is hier reeds zoo steil, dat aan strandaanwmmng door hoofden niet te denken valt. Ze liggen dan ook anders ten opzichte van volzee, bijv. aan het landeinde l.oU tot t m. lager dan de strandhoofden benoorden Petten.

Een paar eeuwen geleden, toen er nog een behoorlijke, laatste duinregel was aan den Hondsbossche en te Westkappel, met een droog en nat strand, zij het dan steil en achteruitgaand, ware het voor de laatste soort van strandhoofden nog tijd geweest. Maar men paste dit middel toen nog niet toe.

Spreker beantwoordt echter zonder eenig voorbehoud bevestigend de vraag: of het ook nu nog, op deze kustvakken, waar aan achterwaartsche, landwaartsche verlenging der hoofden niet te denken is, door zeewaartsche verlenging der hoofden

mogelijk zou zijn een nieuwen duinregel te doen ontstaan. Daartoe zou men een overstrand moeten vormen, door uitbouw van hooge, lange hoofden, kort bij elkaar, in zee. Men zou zoodoende een nieuwen duinregel kunnen doen ontstaan, zelfs op en vóór het buitenbeloop van de West-Kappelsche, Hondsbossche en Pettemer zeeweringen. Natuurlijk heeft men dit niet gedaan voorde ontzettend hooge kosten; en het is ook niet noodig, omdat de tegenwoordige toestand volkomen veilig is.

Spreker eindigde met een zeer geruststellend woord over de veiligheid van Holland. De techniek, van de natuur leerende, maakt een in rust zijnd strand, ook daar waar de natuurlijke voorwaarden daarvoor ontbreken.

Doch gewaarschuwd dient te worden tegen de verderfelijke methode onzer voorouders, die met de verdediging van elk afnemend strandvak wachtten tot de laatste duinregel buitenduin geworden is. Want dan zou ten slotte de Hollandsche kust over de volle lengte in een uiterst duur kleed van klei en steen moeten worden gestoken. En dit wordt voorkomen door in tijds te handelen.

Wij meenen dat door de hier gerefereerde voordrachten van de Nederlandsche waterstaatsingenieurs Conrad en Welcker aan de meer theoretisch dan toegepast natuurwetenschappelijk ontwikkelde leden van het congres — zij het dan in verschillende sectiën — een duidelijke indruk is gegeven van dien eeuwenlangen, altijd even hardnekkigen strijd van Nederland tegen de Noordzee, «onzen erfvijand», zooals de heer Tutein Nolthenius haar noemt.

ERRATA.

De zetter heeft mij in het Congresverslag in No. 19 laten zeggen, op bl. 229, dat Prof. Stokvis de Borneo-medaille uitreikte, aan Mevrouw Molengraaff met toestemming van haar juist naar de Transvaal vertrokken echtgenoot. Men vergunne mij den lezer te vragen hiervoor te lezen: met bestemming voor. Op dezelfde bladzijde, 5^ regel van onderen wordt de Revue Semestrielle van het «Wiskundig Genootschap» een Dame genoemd. Men leze hiervoor: een Danae.

v. S.

KLEINE MEDEDEELINGEN.

Zweedsch Graniet.

Nu het gebruik van Graniet in de laatste jaren eene zeer belangrijke uitbreiding gekregen heeft, kan het nuttig zijn heeren verbruikers vooral te wijzen op het Zweedsch Graniet, hetwelk de voorkeur verdient boven het tot heden uit Duitschland en Noorwegen inge-

V°Dedeeerste belangrijke leveringen van dat Zweedsch Graniet zullen worden uitgevoerd : . .

1° Voor de Gemeente Rotterdam van dekzerken voor verschillende kaaimuren en eene balustrade voor de vernieuwing van den Westpunt van het Noordereiland.

2°. Voor de Spoorwegbrug te Westervoort van draagblokken, die het aanzienlijke gewicht hebben van 6 tot I4000 kilogr.

Naar men ons mededeelt, worden onder de talrijke werken in het Buitenland van Zweedsch Graniet vervaardigd, in 't bijzonder genoemd: De Havenbouwwerken te Kiel, Stettin, Kopenhagen, Aarhus enz., enz. enz.

Nadere inlichtingen en prijsopgaaf worden verstrekt door H. J. BOSMAN Handelaar in Bouwmaterialen, Nieuwehaven 6 en 8, Rotterdam Vertegenwoordigers der voornaamste Granietgroeven in Zweden.

STATEN-GENER AAL.

INTERCOMMUNALE TELEPHOON.

De lezer zal zich (zie No. 49 van den vorigen jaargangYde aanneming der wet herinneren, waarbij m beginsel werd uitgemaakt dat de exploitatie der intercommunale telephoonlijnen van Rijkswege zal gescluec en

Voor die exploitatie is in de eerste plaats noodig overneming door aen Staat van de fijnen der Nederlandsche Bell-Telephoon-Maa schappy^

Ten einde hiertoe op 1 October 1897 te kunnen overgaan werd door de Regeering dd. 6 Maart een voorstel tot verhooging van Hoortstuk IX der Staatebegrooting bij de 2de Kamer aanhangig gemaakt. Aan de MvT ontleenen wij het volgende • ■

Wevolge de voorwaarden van concessie en de krachtens deze voorwaarden gesloten overeenkomsten, moet bij overname aan de Nederlandsche BefJ-Telephoon-Maatscliappy uitgekeerd worden het bedrag, dat voor den aanleg door de Maatschappij uitgegeven en m gemeen overleg bij proces-verbaal — telkens opgemaakt na afloop van den aanleg van elke lijn — vastgesteld is.

Deze processen-verbaal wijzen voor de nagenoemde lijnen de daarbij vermelde cijfers aan :

247