is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 33, 14-08-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 33.

394

Aan havengeld werd alhier ontvangen:

Rivier- en Zeejaar, binnenvaartuigen vaartuigen Totaal

1887 f121,671 f 421,736 f 543,407

1890 ........ 136,115 - 494,803 - 630,918

1893 ........ 162,186 - 580,533 - 742,719

1895 - 193,763 - 709,520 - 903,283

1896 - 230,902 - 849,114 - 1,080,016

In het geheel werd havengeld voldaan door schepen, die per reis

betaalden:

in 1895 52,220 met 7,882,650 M3

» 1896 56,210 » 9,373,405 »

» 1896 meer schepen 3,990, inhoud 1,490,755 M3 meer, en door vaartuigen, die per jaar betaalden :

» 1895 1,970 met 65,543 M3

» 1896 2,017 » 75,027 »

» 1896 meer schepen 47 inhoud 9,484 M3 meer.

Men kan aannemen, zegt de Kamer, dat van de schepen, die per jaar betalen, de stoombooten minstens 40, de andere vaartuigen minstens 20 reizen per jaar maken, daar zij zich anders niet zouden abonneeren. Om dus te komen tot het aantal schepen, die Rotterdam bezoeken, vermenigvuldigen wij voor de eerste het aantal en den inhoud met 40, voor de andere met 20, terwijl daarbij vaartuigen beneden 10 M3 buiten rekening gelaten worden.

Wij komen dan tot de volgende resultaten, waarbij wij ter vergelijking de cijfers over 1895 voegen, die volgens dezelfde berekening verkregen zijn:

1895. 1896.

Schepen. M3. Schepen. M3. Rivier- en binnenvaartuigen . . 85,453 11,533,592 80,345 9,884,463

Zeeschepen 5,904 14,012,915 5,199 11,823,265

Totaal . . 91,357 25,546,507 85,544 21,707,908 «De onderlinge verhouding tusschen rivier- en binnenschepen en zeeschepen was dus :

naar het aantal , . , ,

schepen. naarjtenjnhoud

1896. 1895. 1896. 1895.

Rivier en binnenvaart 93.5 °/0 94.1 °/0 44 °/0 45.2°/0

Zeevaart 6.5 » 5.9 » 56 » 54.8 »

100 "/„ 100 °/0 100 7„ 100 %

De opbrengst van de visch bij den afslag op de vischmarkt is van f 235.371.25 in 1887, gestegen tot f 329.591.95 in 1896.

Uit de officieele cijfers voor de Rijnvaart blijkt dat het verkeer der voornaamste Nederlandsche Rijnhavens met Duitschland (in- en uitklaringen te zamen) 5,860,834 ton heeft beloopen, tegen 4,453,937 ton in 1895, dus ditmaal 1,396,877 ton meer. Het aandeel van Rotterdam in het goederenverkeer dier havens met Duitschland was 89 pet., of evenveel als in de twee vorige jaren; in 1887 was het 82 pet. Het geheele Rijnvaartverkeer van Nederland met Duitschland bedroeg 7,460,154 ton, of 1,414,281 ton meer dan in 1895. Het Rijnvaartverkeer tusschen Duitschland en België bedroeg in 1896: 1,940,728 ton, of 368,963 ton meer dan in 1895.

Thans volgt een vergelijkende staat van het Rijnvaartverkeer van Amsterdam, Rotterdam en België (Antwerpen) in de laatste 10 jaren. Amsterdam. Rotterdam. België.

1887. 118,981 ton. 2,062,995 ton. 962,042 ton.

1888. 140,385 » 2,329,956 » 907,039 »

1889. 156,423 » 2,376,301 » 934,233 »

1890. 170,365 » 2,582,791 » 1,165,456 »

1891. 187,557 » 2,598,924 » 1,289,678 »

1892. 211,740 » 2,661,495 » 1,447,016 »

1893. 199,686 » 3,290,048 » 1,310,033 *

1894. 237,109 » 4,130,074 » 1,430,759 »

1895. 242,315 » 3,989,827 » 1,571,765 »

1896. 308,760 » 5,279,513 » 1,940,728 »

Het geheele verkeer op den Rijn, dus zoowel van de aan den Rijn gelegen Duitsche havens onderling, als van deze naar Nederland en België en omgekeerd, was in 1895 : 23,434,000 ton, tegen 24,629,000 ton in 1894 en 14,470,000 ton in 1886.

De ontwikkeling der electro-technisehe industrie in Duitschland.

Als een voorbeeld van de ontwikkeling die de electro-technisehe industrie in Duitschland genomen heeft, moge het volgende uittreksel uit het jaarverslag 1896/97 der Elektrizitats-Aktien-Gesellschaft, vormals Schückert & Co., te Nürnberg, een plaats vinden :

Gedurende het afgeloopen jaar, werd het kapitaal der vennootschap van 16>£ tot 22% millioen R.M, verhoogd.

Het winstcijfer bedroeg 5.001.615 R.M., tegen 5.212.193 in 1895/96 en 2.961.479 in 1894/95.

De directiekosten stegen van 990.975 tot 1.223.181 R.M., voor rente werd daarentegen slechts 113.686 R.M. tegen 386.772 R.M. in het vorig jaar betaald.

Voor afschrijvingen (2 °/0 °P gebouwen te Nürnberg en te Keulen en 80.000 R.M. op het gebouw te München, verder 10 °/D op machines en technische inrichtingen, 15 °/0 op het laboratorium, 25 °/0 op

werktuigen en 60 "/„ op modellen) werden 718.694 R.M. gebruikt, terwijl ook de kosten door deelname aan de Nürnberger tentoonstelling ontstaan, tot een bedrag van 161.059 RM. geheel werden afgeschreven.

Daardoor blijft eene zuivere winst over van 2.811.940 R.M., tegen 3.100.513 R.M. in het vorige jaar. Voor 14 °/0 dividend werd gevorderd 2.520.000 R.M., aan tantièmes en gratificatiën werden 7110.59 R.M. besteed. Het dividend was verschuldigd over een aandeelenkapitaal van 18 millioen R.M. (vorig jaar 12 millioen), terwijl de nieuw uitgegeven 4% millioen R.M. eerst van af 1 April 1897 recht op uitkeering hebben.

De oorzaak van het verminderen van het winstbedrag wordt in hoofdzaak toegeschreven aan de verhooging van de algemeene kosten, welke met de vermeerdering van den omzet gelijken tred hield. De toeneming der algemeene onkosten ten bedrage van 232.205 R.M. is grootendeels ontstaan door de onkosten op de in uitvoering zijnde, doch nog niet verrekende werken, waarvan de winst eerst het volgende jaar genoten wordt; verder staat tegenover de vermeerdering van loonen en salarissen (2.85 millioen tegenover het vorige jaar 2.23 millioen R.M.) geen overeenkomend meerder winstbedrag, daar de post op de balans «in arbeid zijnde goederen» ad 2.43 millioen R.M., welke voor het meerendeel reeds verkocht zijn, tegen zelfkostenden prijs werden geïnventariseerd.

Ten opzichte der productie van de vennootschap valt mede te deelen, dat uit hare werkplaatsen werden afgeleverd 4300 machines en transformatoren voor een vermogen van 61400 K.W. of 93000 P.K. tegen 3033 met 7500 P.K. in het vorige jaar.

De verkoop der fabrikaten van de vennootschap was ca. 25 °/0 hooger dan de productie, zoodat tot eene vergrooting der fabrieken moest worden overgegaan, waardoor het mogelijk wordt binnenkort een productie van 6000 machines en transformatoren per jaar te bereiken. Hierbij komt nog de aangekochte fabriek der firma Gebr. Naglo in Berlijn-Treptow met een jaarlijksch productievermogen van ca. 500 machines, welk aantal na de voorgenomen uitbreiding der werkplaatsen, licht op het dubbele kan worden gebracht.

De maatschappij stelt zich voor in het Berlijnsch etablissement, behalve machines, hoofdzakelijk zulke voorwerpen te doen vervaardigen, die te Berlijn voordeelig geproduceerd kunnen worden, bv. instrumenten.

In dezelfde verhouding als de bouw van machines is ook die der overige artikelen toegenomen ; in het bijzonder wijst de productie van booglampen, verschillende toestellen, electriciteitsmeters enz. eene groote vermeerdering aan. Terwijl aan den eenen kant het productievermogen der vennootschap in vergelijking met het vorige jaar beduidend is gestegen, is aan den anderen kant ook het aantal groote contracten die afgesloten waren, belangrijk vermeerderd. Het aantal en de omvang der afzonderlijke installaties, zoowel die van grootere werken voor verlichting, krachtoverbrenging, tractie, electrochemie, welke aan de vennootschap werden opgedragen is veel grooter dan verleden jaar.

Aan het einde van het boekjaar had de vennootschap bestellingen tot een bedrag van ca. 63 millioen R.M., terwijl dit bedrag aan het einde van het vorige boekjaar slechts 37 millioen R.M. bedroeg.

De omzet steeg van 29.6 tot 33.8 millioen R.M.; deze stijging zou nog veel aanzienlijker geweest zijn, wanneer niet van de aangevangen grootere werken slechts het kleinste gedeelte geheel afgeloopen was, terwijl verreweg het grootste gedeelte eerst in het volgend jaar verrekend kan worden.

De waarde der in dit boekjaar grootendeels voltooide, doch eerst in 1897/98 verrekend wordende werken beloopt 17^ millioen R.M., terwijl in de beide volgende jaren, naar het zich laat aanzien, werken tot een bedrag van ca. 33 millioen R.M. gereed zullen komen. Bovendien heeft de vennootschap aan afzonderlijke installaties, welke eveneens het volgend jaar gereed komen, bestellingen tot een bedrag van 10 millioen R.M.

Hieruit valt wel op te merken, dat ook in de volgende jaren de omzet beduidend zal toenemen.

Aan het einde van het boekjaar bestond het aantal werklieden uit 4640, dat der beambten en ambtenaren uit 796 personen.

In den loop des jaars kwamen voor de fabriek gereed, een nieuw centraalstation met ketelhuis, een laboratorium voor electrochemie, een overdekte werkplaats, verder een gebouw van 4 verdiepingen voor de fabricage van het materiaal voor electrische trams, eene metaalgieterij, eene smederij en eene modelmakerij.

In aanbouw zijn: een machinehal voor den bouw van grootere wisselstroommachines en een magazijn van 5 verdiepingen, welke beide in het voorjaar van 1898 in gebruik zullen kunnen genomen worden, waarna het de vennootschap mogelijk zal zijn nachtarbeid gansch af te schaffen en van overwerk slechts spaarzaam gebruik te maken.

Het jaarverslag vermeldt verder, dat de centrale te Barcelona in dienst gesteld is en in den herfst van 1897 haar volle vermogen zal kunnen ontwikkelen. De centraal-stations te Hallein, Bad Hall, Saarbrücken, Tegernsee, Hamburg im Pf., Bredstedt, Traustein en Eitorf kwamen eveneens gereed.

In bestelling zijn, uitbreidingen voor Hamburg, Altena, Nürenberg, Barmen, Tempelhof en Pforzheim, terwijl nieuwe werken voor Florence, Palermo, Kassei, Würzburg, Brünn, Königshütte, Schwaz, Hamm, Sternberg en Grevenbroich in uitvoering zijn. De centrale te Bergamo komt in het voorjaar gereed, terwijl het groote electriciteitswerk op het aan de Maatschappij toebehoorende landgoed «Hafflund» in Noor-