is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 38, 18-09-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

443

M 38.

standsvermogen gedurende de jeugd en het verder leven verkrijgt, zoodat het bestaan en de strijd om dit bestaan zoo gemakkelijk en aangenaam mogelijk zij. En nu dringt de vraag zich bij ons op, welke zijn dan deze levensvoorwaarden waaronder het individu zich het krachtigst zal ontwikkelen. De bodem waarop hij leeft moet vrij blijven van alle zelfstandigheden, welke nadeelige gasvormige of organische producten in de atmosfeer kunnen brengen of het grondwater kunnen besmetten; de openbare wateren moeten zoo rein en zuiver mogelijk worden gehouden ; de lucht in onze woningen, openbare gebouwen, vooral in scholen, moet zooveel mogelijk in samenstelling gelijk aan die der zuivere buitenlucht worden gebracht en gehouden; de atmosfeer door geene schadelijke stoffen worden verontreinigd; onze spijzen moeten voor ieder bederf gevrijwaard zijn.

En het is nu de gezondheidsleer die de eischen en voorwaarden omschrijft, en vaststelt onder welke de gezondheidstoestand van de geheele bevolking het best gebaat zal zijn. Het doel van al deze voorschriften moet zijn zooveel mogelijk de nadeelige invloeden, welke van buiten af op de individuen kunnen inwerken, onschadelijk te maken en mochten deze zich toch nog kunnen doen gevoelen, dat dan de maatregelen zoodanig zullen kunnen worden genomen, dat de gevolgen dier invloeden zich niet doen gelden.

Behoorlijke voorschriften te geven, uit al deze gegevens voortvloeiende, en deze behoorlijk samen te voegen en m verband te brengen met de bestaande wetten, en deze wederkeerig in verband te wijzigen, ziedaar de taak van den wetgever, die een hygiënische wet maakt waarop het licht van den tegenwoordigen tijd valt.

Uit het voorgaande blijkt dus, dat de praemisse van het Bestuur, dat het gold de wijziging van de wet op het geneeskundig staatstoezicht, als zoude deze buiten het kader 'van den ingenieur vallen, niet opgaat.

En aangezien de praemisse vervalt, vervalt ook de gevolgtrekking vanzelve, dat onze Vereeniging deze zaak niet behoeft ter VioT^rl nomon maav Wfil kan volstaan met dien last maar op

een ander lichaam, nota bene, op de schouders van het congres van openbare gezondheidsregeling te schuiven.

Alvorens zich met deze gedachte vertrouwd te maken, heelt het Bestuur verklaard, dat het op practische bezwaren stuitte en dat het geen kans ziet een voordracht van personen te maken en daarom eene gemengde commissie, door onze Vereeniging te benoemen, meent te moeten ontraden.

Vooraf zij opgemerkt, dat het onze Vereeniging tot eene groote eer zoude kunnen worden gerekend en buitendien geheel met het doel van haar bestaan in overeenstemming zoude zijn, wanneer zij kon slagen een ontwerp-wet te maken in den geest zooals boven omschreven. Zij zal zich, mocht het ontwerp in den geest van den minister vallen en tot wet worden verheven, een eerezuil stichten en gelijk de commissie terecht heeft aangetoond, den ingenieur in de toekomstige toepassingen der wet een nieuwen werkkring verschaffen. Met dat wellicht door het congres, indien _ net tenminste van meening was, dat eene algemeene hygiënische wet noodzakelijk is, niet eene commissie zoude kunnen samenstellen, maar het zoude evenwel zeer de vraag zijn of de denkbeelden geuit door de commissie van onze Vereeniging wel met die van het bestuur van het congres, waarin slechts één ingenieur, de heer Conrad, zitting heeft, zouden overeenstemmen. ,

Wij zijn overtuigd, en wij mogen zeggen, wij zijn er zeKer van, dat verschillende personen, van den maatschappelijke!) stand in het rapport genoemd, zich op verzoek bereid zouden verklaren te trachten een ontwerp van wet, m overeenstemming met de eischen van den tegenwoordigen tijd, gereed te maken.

Wij zouden toch thans reeds eenige namen kunnen noemen.

Buitendien, het congres vergadert 23 en 24 September en de Vereeniging 25; dus moeten wij wederom een jaar wachten, alvorens het voorstel, indien het Bestuur het op de agenda zou wenschen te brengen, weder in behandeling kan komen.

X.

VERGADERING

HET KONINKLIJK INSTITUUT

van

INGENIEURS.

Op Dinsdag den 14™ September vergaderde het Koninklijk Instituut van Ingenieurs in het lokaal «Diligentia» te 's-Gravenhage.

De President opende de vergadering tegen 11 uur en herdacht de sedert de vorige vergadering afgestorven leden L. J. Hioolen, J. J- van Tienhoven van den Bogaard en C. L. J. Martens.

Talrijke geschenken waren wederom ten behoeve van de boekerij ontvangen. .

Het eerst werd nu het woord verleend aan den secretaris J. Tideman, die een uitvoerig verslag had samengesteld van de gehouden feestviering ter gelegenheid dat het Instituut op 31 Augustus jl. vijftig jaren had bestaan. Hierin werd in de eerste plaats vermeld de audiëntie, welke den vorigen dag op het paleis het Loo had plaats gehad, toen de Raad van Bestuur met den Secretaris door Hare Majesteiten de Koningin en de Koningin-Regentes op plechtige wijze was ontvangen ter aanbieding van twee prachtexemplaren van het Gedenkboek, dat ter gelegenheid van het feest van het Instituut door de zorgen van den Raad van Bestuur het licht had gezien, en waartoe door den vorigen President W. F. Leemans door zijn krachtig initiatief zooveel was bijgedragen om de leden op te wekken tot medewerking, waardoor een in alle opzichten schoon geheel is verkregen, dat de onverdeelde goedkeuring mocht wegdragen zoowel uit een artistiek als uit een typografisch oogpunt.

In het uitvoerig verslag werd voorts de eigenlijke feestviering vermeld, bestaande in een receptie in de lokalen van het ZoölogischBotanisch Genootschap te 2 uur en in een feestmaaltijd in dezelfde lokalen. Van dit alles zijn reeds door de dagbladen mededeelingen gegeven.

De President bracht daarna een woord van dank aan de leden Alpherts, Gratama en Wortman voor de uitstekende wijze, waarop zij het feest geregeld hebben, terwijl het lid Telders behoefte gevoelde om hulde te brengen aan den Raad van Bestuur voor alles

wat hij gedaan heeft om dit feest zoo uitmuntend te doen slagen; ook met voldoening kon de Raad terug zien op het gedenkboek dat met recht een waardig en eervol werk genoemd mag worden.

Door den President werden vervolgens eenige mededeelingen gedaan met betrekking tot de wereldtentoonstelling te Parijs in 1900, in welker centrale commissie voor Nederland hij onlangs is benoemd.

Mededeeling werd gedaan omtrent eene uitnoodiging van de Association des Ingénieurs sortis de 1'Ecole de Liège aan den Raad van Bestuur gericht, dat het Instituut moge vertegenwoordigd zijn bij de viering van het vijftigjarig bestaan van de instelling in October aanstaande, waartoe de leden P. H. Kemper en H. F. Beyerman zich bereid hebben verklaard. .

Voorlezing werd gedaan van een na de feestviering ontvangen bnet van gelukwensching van het Delftsch Studentenkorps met het gehouden feest en het daarop gegeven antwoord.

Hierna deed de President eenige mededeelingen omtrent het zevende congres van binnenscheepvaart, in Juni 1898 te Brussel te houden.

De President deed daarop namens den Raad van Bestuur eene mededeeling van een voorstel betreffende het vormen van een fonds tot stichting van een gebouw voor het Instituut. Als een waardig aandenken van het 50-jarig feest meende de Raad van Bestuur dat thans de tijd gekomen was om de grondslagen te leggen voor een eigen gebouw door een fonds te stichten uit vrijwillige bijdragen van leden, legaten enz., waaraan dan door het Instituut jaarlijks een bedrag zou kunnen worden toegevoegd. Nu reeds zou de kas van het Instituut toelaten een som van 10.000 gld. daarvoor af te zonderen, welk bedrag door bijvoeging van de rente op rente en eventueele bijdragen en legaten binnen een niet al te langen termijn tot een aanzienlijke som zou kunnen aangroeien.

Deze mededeeling, waarop nog geene beslissing gevraagd werd, leidde intusschen tot eene discussie, waaraan verscheidene leden deelnamen. Het lid Schroeder van der Kolk wees er op dat het met wenschelijk was om zich financieel te binden, terwijl een gewichtige quaestie, de fusie, aanhangig was. Komt die fusie tot stand, dan zou het aantal leden aanzienlijk toenemen en is het billijk dat ook die leden een stem in het kapittel hebben. Bovendien zou het dan de vraag zijn of het niet verstandiger zal zijn geen vaste plaats voor de verD-nHBrino-en tn kiezen en zoo het antwoord daarop bevestigend

mocht luiden, zou een groote vergaderzaal in het gebouw gemist kunnen worden. Hij acht het daarom wenschelijk het voorstel van het Bestuur voorloopig aan te houden totdat, met het oog op de toekomst, meer licht zal zijn opgegaan. , . .

Het Raadslid Stieltjes daarentegen was van meening dat juist uit de fusie versterking van den financieelen toestand te verwachten was. Ware dit toch niet het geval, dan zou het Instituut zwakker staan dan in zijn tegenwoordigen toestand, en zou men achter de quaestie der fusie een vraagteeken moeten plaatsen. Hij stelt zich echter voor dat de fusie versterking maar geen achteruitgang van het Instituut zal medebrengen en ziet daarom in het aannemen van het voorstel geen bezwaar. Het is thans een daad van kracht met dit feest de grondslagen te leggen tot een eigen gebouw, welke wensch altijd op