is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 42, 16-10-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

481

M 43.

leerden kennen op de voornaamste route der stoomschepen; en ook om na te gaan of er in dat gedeelte van de Golf stroomen waren van constant karakter.

Het algemeen karakter van de stroomen gedurende den zomer is, dat zij steeds geringe snelheid hebben, van 0.25—0.5 M. per sec. In het voorjaar schijnen zij echter sterker te zijn. De richting is zeer veranderlijk en onregelmatig, vooral tusschen de oppervlakte en de diepte van 5-10 vadem. Op 20 en 30 vadem diepte vertoonde de stroom somtijds meer bepaalde eigenschappen, zooals de neiging om in een constante richting te vloeien, of met het getij te wisselen. De oppervlaktestroom bleek derhalve weinig verband te hebben met den onderstroom in richting of snelheid, in den tijd van kentering of de wijze van draaiing.

De reden hiervan is waarschijnlijk gelegen in den invloed van den wind op den oppervlaktestroom. Zoo is o. a. in de BelleIslestraat gebleken, dat de onderstroom het bepaalde karakter had van een getijstroom, ook nog wanneer de oppervlaktestroom tengevolge van hevige en langdurige winden een bepaalde richting kreeg.

Het bleek dus noodig den onderstroom zorgvuldig te bestudeeren, daar deze het normaal-plaatselijke karakter van de stroomen deed kennen.

In 't algemeen werken dus zoowel op oppervlakte- als op onderstroom drie hoofdoorzaken, met verschillenden invloed op den eenen en den anderen.Deze zijn: de getijden; wind en barometer; en oorzaken, die den stroom in een bepaalde richting doen loopen.

Op het kaartje der stroomwaarnemingen geeft de lengte der pijltjes in elk der 8 hoofdrichtingen den tijd aan dat de oppervlaktestroom in die richting ging, uitgedrukt in percenten van den totalen waarnemingstijd op dat station. De gezamenlijke lengte der pijltjes op elk der stations is dus dezelfde, nl. steeds 100%.

Verscheidene merkwaardigheden kwamen bij het onderzoek te voorschijn. Somtijds was er een duidelijk verschil in den stroom aan de oppervlakte en dien op 18 voet diepte, vooral bij kentering. De stroom kan soms eerst afnemen aan de oppervlakte, maar op 18 voet diepte nog krachtig doorzetten. Op stille dagen werd dit duidelijk waargenomen; de onderstroom richtte zich dan naar de oppervlakte, en de lijn volgens welke deze de oppervlakte bereikte, was als een rimpel duidelijk waarneembaar ; deze rimpel naderde langzamerhand het vaartuig, en daarbij gekomen dreven plotseling voorwerpen weg die een uur lang bij het schip hadden gedreven.

Ook kan de oppervlakte-stroom somwijlen bestaan uit een betrekkelijk dunne laag van 5 tot 10 vadem dikte, waarbeneden het water in rust is. Dit geval komt meer voor dan het omgekeerde, nl. dat ?t oppervlaktewater in rust is en er een onderstroom gaat. Zulk een oppervlaktestroom kan optreden na een periode van stilstand in den vorm van een bewegende laag, die over de oppervlakte van het water voortgaat. Zoo is dat waargenomen op een zeer kalmen dag op station G; de rand van 't bewegende water was als een rimpel zichtbaar. Nadat die rimpel tot het vaartuig genaderd was, duurde het nog 2 uren eer de nieuwe stroomrichting op 10 vadem diepte bemerkbaar was. Dit is een zeer merkwaardig geval op een punt, gelegen op 18 en 24 mijlen van de kust, bij stroomsnelheden van minder dan 0.5 M. per seconde.

Als de oppervlaktelaag alleen in beweging is, dan is de dikte der bewegende laag somtijds zeer 'scherp aan te geven. Tijdens een sterken stroom op punt H werd waargenomen, dat ter diepte van 12 vadem de snelheid plotseling viel van meer dan »/2 tot minder dan '/é M- Per sec- Gedurende een uur bleef aldus de stroom van geringe snelheid op 13 vadem en daarbeneden; en zeer krachtig op 11 vadem diepte en daarboven.

Ook is waargenomen op station G, dat de eenige waterbeweging geschiedt in een laag op 10 a 20 vadem diepte, terwijl het water aan de oppervlakte en daarbeneden volkomen stil is. Somtijds is er ook een bodemstroom op 40 a 50 vadem diepte met een richting op zichzelf. Als resultante van deze waterbewegingen op verschillende diepten had de stroom somtijds een spiraalvormige beweging, of een schijnbare draaiing in richting naar gelang van de diepte. Na verloop van tijd volgde gewoonlijk de onderstroom de draaiing van den bovenstroom, doch bleef verscheidene graden ten achteren ; ofschoon ook voorbeelden, dat oppervlakte- en onderstroom in tegengestelde richting draaiden, niet onbekend bleven.

Deze veranderingen naar gelang van de diepte kunnen dienstig zijn om de veranderingen in den oppervlaktestroom zelf te verklaren. Zij toonen ook, dat de stroomrichting van de bovenste

waterlaag van enkele palmen dikte niet nauwkeurig de richting aangeeft, waarin de stroom een schip van gewonen diepgang zal sturen. Indien de stroomrichting in zulke wateren onderzocht wordt door drijvers, dan moeten deze bestaan uit sparren, rechtop in het water drijvende en reikende tot dezelfde diepte als de gemiddelde diepgang der schepen, ten behoeve van welke men de stroomrichting wenscht te kennen. Zulke sparren moeten natuurlijk aan het benedeneind bezwaard zijn en een hollen bol of houten schijf aan 't boveneinde hebben, opdat zij niet zinken en niet door den wind gevat worden.

De invloed van den wind op den oppervlaktestroom is vooral op punt A nagegaan. Er bleek wel verband te bestaan tusschen de richting van den wind en de overheerschende stroomrichting gedurende een lange periode, ofschoon gedurende korte perioden de stroom draaide in alle richtingen terwijl de windrichting standvastig bleef. Op andere plaatsen bleek bij of na perioden van hevigen wind, dat de stroom niet in dezelfde richting liep als de lokale windrichting. Integendeel, de stroom draaide in dezelfde richting als gewoonlijk, al was dit minder regelmatig. Op een bepaald oogenblik kan dus de stroom elke willekeurige richting hebben geheel onafhankelijk van den wind, terwijl aan den anderen kant, indien voortdurende waarnemingen gedaan worden gedurende een week, men vinden zal dat de meest voorkomende stroomrichting overeenkomt met de meest heerschende windrichting gedurende dien tijd.

Men zou dus geneigd zijn het draaien van de stroomen toe te schrijven aan getijwerking; en een neiging van overheerschenden stroom in een bepaalde richting aan den invloed van den wind. Het bezwaar tegen deze aanname is echter, dat de periode, in welke de volledige draaiing plaats heeft op de ver van de kust liggende stations gemiddeld 16 uur bedroeg, derhalve 4 uur langer dan de periode van het getij; en dat dit verschil dus neerkomt op een volkomen gemis aan verband tusschen de stroomrichting en de periode van het getij.

Waaraan deze vreemdsoortige 16-uursche periode is toe te schrijven is niet duidelijk. Zeker niet aan een combinatie van den getijinvloed met den invloed van een wind, waaiende uit een bepaalde richting; daar zulks de periode niet zou kunnen verlengen.

De eenige mogelijkheid van verlenging der periode is, wanneer zij de resultante wordt van een andere draaiing in tegengestelden zin. Indien de wind voortdurend links draaiend ware, terwijl de getijstroom rechts draait, zoo ware hierin een mogelijke verklaring gelegen. En ofschoon het enkele malen het geval kan zijn, daar in het noordelijk deel der Golf de wind als regel gedurende stormen links draait, is deze invloed te wisselvallig en te weinig constant om de 16-uursche periode te verklaren.

Mogelijk is er een interferentieverschijnsel in t spel, tengevolge van de samentreffing der getijgolf, die door de Belle-Islestraat met die welke door de Cabotstraat in de Golf binnentreedt.

Misschien is de meest aannemelijke reden gelegen in de eenige linksche draaiing van constant karakter, die wij kennen, nl. den algemeenen stroomloop in de Golf zelf. Het is moeielijk te zeggen of zulk een langzame draaiing een merkbare uitwerking zal hebben op de draaiing van den stroom op een bepaald punt; doch in elk geval is de richting van de algemeene watercirculatie zoodanig dat de draaiperiode der getijstroomen er door verlengd moet worden, zoodat deze twee bizonderheden in de verklaring elkander aanvullen.

Dichtheid en temperatuur.

De dichtheid in dit N.O. gedeelte van de Golf van St. Laurens was in vergelijking van die in het overige deel der golf hooger en veel minder afwisselend. De dichtheid bedroeg bij 60° F. tusschen 1.0234 en 1.0242. Die van den Atlantischen Oceaan langs de Z. en Z.O. kust van Nieuw-Schotland bedroeg 1.0237—1.0242, dus dezelfde als in het N.O. deel der Golf; terwijl die in het Z.W. deel beneden 1.0235 ligt en gewoonlijk 1.0220 bedraagt. De scheidingslijn tusschen beide deelen der Golf loopt van de Oostpunt van Anticosti tot een punt in 't midden van de Cabotstraat ongeveer 20 mijlen bewesten kaap Ray.

Informatiën.

Voorts werden bij visschers en zeevarenden informaties ingewonnen omtrent de stroomingen. Veel leert daaromtrent de beweging van het ijs. Ijsbergen met grooten diepgang drijven m de gemiddelde stroomrichting welke tot die diepte voorkomt, het vlakke- en scholijs geeft den oppervlaktestroom aan, doch