is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 9

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M »•

112

Overigens werd er dezerzijds op gewezen, dat er in liet onderhavige geval, met het oog op de betrekkelijk lage aanlegkosten ■— geraamd op f 16,000 per K.M. met normaalspoorwijdte tegen f 21,000 per K.M. met smal spoor voor den stoomtramweg Rotterdam—Hoeksche Waard — alle kans bestaat dat de door de Nederlandsche CentraalspoorwegMaatschappij te waarborgen geldleening minder zal kunnen bedragen dan f216,000.

III. Wat nu deze wetsvoordracht betreft, daartegen bestond bij verscheidene leden geen bezwaar, terwijl sommigen hunner haar met ingenomenheid hadden begroet. Van andere zijde werden er echter bedenkingen tegen ingebracht.

Verschillende leden waren niet! overtuigd dat de betrokken landstreek, inderdaad behoefte heeft aan den stoomtramweg. In elk geval is, naar hun voorkwam, die behoefte niet van dien aard, dat de Staat zich een aanzienlijk geldelijk offer zou moeten getroosten, om de totstandkoming van dezen verkeersweg te bevorderen. Bedoelde streek toch is, gelijk ook in de Memorie van Toelichting wordt opgemerkt, niet zeer welvarend en schaars bevolkt. Bovendien meende men, dat zij geenszins te klagen heeft over gebrek aan aansluiting aan het spoorwegverkeer. De aanleg der stoomtramverbinding, zoo werd naar aanleiding van het laatste opgemerkt, strekt voornamelijk in het belang van drie gemeenten : Ede, Barneveld en Lunteren, daar toch het belang van Nijkerk geacht moet worden eerst in de tweede plaats daarbij betrokken te zijn. Die drie gemeenten zijn, naar het heet, te ver van spoorwegstations verwijderd. Nu heeft evenewl Ede reeds een station aan den Staatsspoorweg van Utrecht naar Arnhem en eene stoomtramverbinding met Wageningen, terwijl Barneveld in het bezit is van een station aan den Oosterspoorweg tusschen Amersfoort en Zutphen. Lunteren daarentegen ligt niet aan een spoor- of tramweg. Voor de beide eerstgenoemde gemeenten kan er dus geên dringende behoefte bestaan aan de verbinding, waarvan hier sprake is en het belang alleen van Lunteren kan toch niet geacht worden den aanleg daarvan te motiveeren. Een gewichtige factor ter beoordeeling van het nut van aan te leggen tramlijnen is, zoo werd voorts' opgemerkt, — en hierover was men het algemeen eens — ongetwijfeld de mate van deelneming van provincie en belanghebbende gemeenten; en aan sommige leden kwam het zelfs voor dat de Kamer in de eerste plaats daarvan hare beslissing omtrent subsidieaanvragen als deze moet doen afhangen, zonder zich te ver te begeven in eene zelfstandige beoordeeling van de ter zake bestaande behoeften der betrokken landstreken, waarmede zij uit den aard der zaak in den regel niet bekend zal zijn. Legt men nu hier dien maatstaf aan, dan, zoo meenden de bestrijders van dit wetsontwerp, moet ook dit tot het besluit leiden dat het belang der hierbedoelde streek niet in voldoende mate bij den aanleg van den tramweg is betrokken, aangezien toch de bijdragen zoowel van de provincie, als van bovengenoemde gemeenten huns inziens gering zijn. Waar dus van geen werkelijke behoefte aan betere aansluiting sprake is en het op grond daarvan te vreezen is, dat de aan te leggen lijn niet rentegevend zal blijken te zijn — waarbij men er nog op wees, dat zij bijna evenwijdig zal loopen met den spoorweg Amersfoort—Kesteren —, zoodat van het te verstrekken voorschot vermoedelijk weinig in de Staatskas zal terugkeeren, achtte men dezerzijds het offer dat van de schatkist gevraagd wordt niet gerechtvaardigd, te minder omdat met het oog op 'slands financieelen toestand en op de eerlang te verwachten aanzienlijke uitgaven voor sociale doeleinden, zuinigheid dringend geboden is.

Bovenstaande bedenkingen bleven niet onweersproken. Met nadruk werd door andereleden betoogd, dat de tramverbinding voor de betrokken streek van groot belang is. Die streek is, men erkende het, nog schaars bevolkt, doch er zijn voorbeelden van andere stoomtramlijnen, die ook door weinig bevolkte streken loopen — zooals bijv. de stoomtramweg tusschen Dedemsvaart en Zwolle — en die toch blijkens het druk gebruik, dat er van wordt gemaakt, in eene behoefte voorzien Men behoort ook niet alleen met het personen-, doch mede met het goederen- en productenvervoer rekening te houden. In streken bijv waar, gelijk hier, bebossching plaats heeft, wordt die cultuur eerst bij uitbreiding der vervoermiddelen winstgevend. Ook wees men op den zich sterk ontwikkelenden tuinbouw in, de gemeente Lunteren, die voor den afzet harer tuinbouwproducten aan den tramweg groote' behoefte heeft. Dat de hierbedoelde streek reeds voldoende is aangesloten aan het algemeen verkeer werd ontkend. Waterwegen ontbreken hier geheel Ede en Barneveld hebben wel is waar stations aan Staats- en Uosterspoorweg, doch deze liggen op vrij grooten afstand van de kommen dier gemeenten en van tot die gemeenten behoorende buurtschappen. Uat het belang van Nijkerk, in slechts geringe mate bij de totstandkoming der tramlijn betrokken zou zijn, kon evenmin worden toegegeven. Metgeen toch in de Memorie van Toelichting terecht wordt opgemerkt omtrent de behoefte om het noordwestelijk deel van Gelderland met de hoofdstad der provincie in verbinding te brengen, is in hooge mate juist op Nijkerk van toepassing. Trouwens, dat die gemeenten zich een subsidie van f22,000 wil getroosten, toont duidelijk dat zij zelve wel van haar belang bij de zaak doordrongen is. Werd mede door eenige der hier aan het woord zijnde leden de bijdrage der provincie te laag geacht — waartegen echter door anderen werd opgemerkt dat dit subsidie bepaald is met toepassing van het organiek besluit der Provinciale Staten van 17 November 1880 no 5 hetwelk aan ruimer subsidieering in den weg staat — algeméén was' men het !IliT0ZerZ# ? °rT eenS' dat de biJdragen der gemeenten Ede, BarneH™i!rf geenszins gering zijn. De anderzijds uit de mate van deelneming dier gemeenten getrokken conclusie achtte men dan ook

onjuist en men maakte er veeleer het tegendeel uit op. Omtrent de rentabiliteit der lijn meende men met het oog op het voorafgaande goede verwachtingen te mogen koesteren. Terecht wordt in de Memorie van Toelichting als bewijs voor de levensvatbaarheid der onderneming gewezen op de bereidverklaring der Nederlandsche Centraalspoorwegmaatschappij, niet alleen om zich met de exploitatie te belasten, doch ook om rente en aflossing van eene voor den aanleg te sluiten geldleening tot een maximum van niet minder dan f 250,000 te garandeeren. Op grond van al het hier aangevoerde, meende men dat er alle aanleiding bestaat om het gevraagde voorschot te verleenen.

Was reeds de bedenking geopperd, dat de toepassing van het voorschottenstelsel, vooral ook in dit geval nadeelig zal zijn voor den Staat, thans werd nog door verschillende leden bezwaar gemaakt tegen het bedrag van het te verleenen voorschot. Als grondslag voor de subsidieering van stoomtramwegen, zoo merkten zij op, is indertijd aangenomen, dat de Staat evenveel als de gewestelijke en gemeentelijke besturen te zamen zal bijdragen, evenwel niet meer dan één derde in de vooraf geraamde aanlegkosten. Van dien grondslag is hier afgeweken Wel blijft het aangevraagde Rijkssubsidie beneden de in de laatste plaats gestelde grens, doch aan de eerste voorwaarde is niet voldaan. Immers heeft de provincie f 52,000 toegezegd en elk der drie gemeenten Ede, Barneveld en Nijkerk, f22,000, zoodat door provincie en gemeenten te zamen f118,000 zal worden bijgedragen. De Staat zal echter f152,000, dus f34,000 meer geven, waarbij dan nog de deelneming van genoemde gemeenten in het maatschappelijk kapitaal gelijkgesteld wordt met het toekennen van een werkelijk subsidie. Waar nu, naar het voorkwam, geen bijzondere omstandigheden tot bedoelde afwijking aanleiding hebben gegeven, achtten de hier aan het woord zijnde leden deze vrijgevigheid der Regeering, met het oog op de reeds zoo talrijke subsidieaanvragen voor den aanleg van stoomtramwegen, niet zonder bedenking. Te meer scheen het noodig aan bovenstaanden regel vast te houden, waar, gelijk hierboven reeds werd opgemerkt, de mate van deelneming van provincie en belanghebbende gemeenten, de meest betrouwbare maatstaf is ter beoordeeling van het belang eener aan te leggen tramlijn voor de betrokken streek.

Tegen het hier aangevoerde werd van andere zijde opgekomen. Sommige leden konden niet toegeven dat in dit geval van genoemden grondslag is afgeweken. Immers is f 34,000 van het maatschappelijk kapitaal bij particulieren uit de streek geplaatst, en daaromtrent wordt in de Memorie van Toelichting terecht opgemerkt, dat ook die deelneming van particulieren in dit geval als subsidie uit de betrokken landstreek in aanmerking kan worden genomen. Al had echter die afwijking wel plaats gehad, dan kon dit huns inziens toch geen bezwaar opleveren tegen de inwilliging van het aangevraagde subsidiebedrag. Aan deze meening sloot zich aan het gevoelen van andere leden, die erkenden, dat de vroeger voor het bedrag van dergelijke subsidiën gestelde grens hier is overschreden, doch die ingenomen waren met het vrijgevig standpunt waarop de Regeering zich in deze heeft geplaatst. Intusschen waren ook de voorstanders van het aangevraagde bedrag meerendeels overtuigd van de wenschelijkheid om bij het subsidieeren van stoomtramwegen in het algemeen vast te houden aan regelen, die met afwijking, voor zooveel noodig, van vroegere bepalingen, door de Regeering zouden moeten worden vastgesteld. Tot afwijking van die regelen zou slechts dan bij uitzondering behooren te kunnen worden besloten, wanneer bijzondere omstandigheden zoodanige afwijking wettigden. Niet alle leden dezerzijds zouden evenwel zulke regelen gesteld willen zien. Eenigen meenden, dat in elk bijzonder geval de vraag, of eene stoomtramverbinding noodig is, den doorslag moet geven en dat de gelegenheid moet openstaan om bijaldien die vraag toestemmend is te beantwoorden, zeer groote vrijgevigheid te betrachten zonder door eenige beperkende bepaling gebonden te zijn.

Het bedrag van het voorschot kwam aan eenige leden niet slechts in verhouding tot de bijdragen van provincie en gemeenten, doch ook op zichzelf beschouwd, te hoog voor. Opgemerkt werd o.a., dat waar de aan te leggen lijn zeer rentegevend belooft te zijn, het voorschot geringer en het door geldleening te vinden kapitaal grooter had kunnen zijn.

Door andere leden werd gewezen op de kans, dat de aanlegkosten, die per K.M. niet hoog zijn, beneden de raming blijven, in welk geval — gelijk ook in de Memorie van Toelichting werd medegedeeld — het Rijkssubsidie te verminderen zal zijn in evenredigheid tot de verlaging van het provinciale voorschot.

IV. In § 2, alinea 2 der Memorie van Toelichting leest men, dat bij de uitvoering der te verleenen concessie nader zal zijn te overwegen, of het maken van eene aansluiting aan den Oosterspoorweg bij het kruispunt in de nabijheid van Barneveld voorgeschreven zal worden. Naar aanleiding hiervan drongen vele leden er bij den Minister op aan te bevorderen, dat die aansluiting gelijktijdig met de tramlijn zelve worde tot stand gebracht. De ondervinding toch leert, meenden zij, dat aan het maken van dergelijke aansluitingen, wordt dit tot later verschoven niet zelden groote bezwaren verbonden zijn.

V. Van sommige zijden werd er op aangedrongen om bij gemis eener algemeene wet op de stoomtramwegen, als bedoeld wordt inB§ 2 van dit Verslag, bij de voorwaarden waaronder het subsidie zal worden verleend, voor den Staat een recht van toezicht te bedingen, o. a. op de dienstregeling en het materieel, als ook op de tarieven voor personenen goederenvervoer.