is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 14, 02-04-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

177

M t4.

waarin noch ingenieur, noch technoloog steekt. En we noemden dat een groote, onnoodige oorzaak van overbevolking der Polytechnische School. . .

Het doel van dit opstel is dan ook, om in technische kringen, die belang moeten stellen in de Polytechnische School, sympathie te wekken voor dit adres der leeraren bij het middelbaar onderwijs.

Wij zullen, wanneer de daarin uitgedrukte, o. 1. volkomen billijke, wensch vervuld wordt, de Polytechnische School bevrijden van een contingent, dat er tot nu toe welkom was, doch er niet thuis behoort: de aanstaande theoretische wis-, natuuren scheikundigen. .

De Universiteit zal zeker met wellust op die voor haar niet genoeg te waardeeren jonge krachten beslag leggen.

De Polytechnische School zal een deel harer overbevolking spuien langs den natuurlijken weg.

Omdat het op den weg ligt der «Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs», waarvan dit weekblad het orgaan is, het adres te steunen, hebben wij thans dit bij uitstek actueele onderwerp hier te berde gebracht.

De Nederlandsehe Oetrooiwet.

Bezit en eigendom zijn twee. In Engeland luidt de regel: «Possession is nine points of the law». Maar zoo lang het tiende punt niet verkregen is, blijft elk bezit onzeker, waaraan eigendomsrecht ontbreekt. Daartegenover staat, dat eigendom waaraan geen bezit verbonden is, weinig waarde heeft voor het oogenblik.

Beiden moeten samengaan en het doel van alle wetgeving op het gebied van patenten, brevetten of octrooien is dit te verzekeren.

Een nieuwe uitvinding is zeker in het bezit van den uitvinder, zoolang hij ze aan niemand mededeelt. Maar hij kan er niets rneê doen. Want voor de algemeene invoering daarvan zijn medehelpers onmisbaar en deze kunnen de bezitting van

den uitvinder tot de nunne manen, um aan een uciuuug ^ te hebben, moet het eigendom daarop algemeen erkend zijn, want dan alleen is men beveiligd tegen ontzetting uit het bezit.

Nagenoeg alle volken in Europa en tal van anderen buiten Europa hebben deze waarheid erkend en door de wetten op het verleenen van patenten of brevetten aan de uitvinders het recht van eigendom op hunne uitvindingen verzekerd.

Daardoor is de «kaapvaart» op intellectueel gebied in die landen in beginsel afgeschaft, en dit is een zeer groote stap op het gebied der beschaving. .

Het ware zeer wenschelijk dat ons vaderland op dit gebied niet langer een uitzondering bleef maken en zich zoo spoedig mogelijk aansloot bij de overige Staten van Europa. De weg daartoe is gewezen door de aansluiting van Nederland bij de Conventie van Parijs van 1883, die een Internationale Unie vormt tot handhaving van de rechten van kooplieden op hunne handelsmerken, van fabrikanten op hunne uitvindingen en van kunstenaars op hunne modellen.

Wij genieten de voordeelen van die aansluiting ten opzichte van fabrieksmerken en octrooien in al de aaneengesloten Staten en verzekeren die wederkeerig alleen wat aangaat fabrieksmerken.

Op het gebied van uitvindingen genieten wij in andere landen van de voorrechten die de Conventie verzekert, maar wij geven daarvoor niets in de plaats, want wij missen een oetrooiwet.

Hoe kunnen wij aan dien zonderlingen toestand een einde maken ? Het onderwerp is blijkens de gewisselde Staatsstukken bij de Regeering in studie, maar wat tot oplossing wordt vereischt is een wetsontwerp, dat in behandeling komt bij de StatenGeneraal.

Een ontwerp-wet bestaat echter en werd reeds eenige jaren geleden ter kennisname van verschillende lichamen gebracht, maar er is nog geen bericht, dat een definitief ontwerp aan het onderzoek van den Raad van State is onderworpen.

De regeling is dan ook niet zoo heel eenvoudig. Het Departement van Buitenlandsche Zaken is er meê gemoeid in zoover betreft de deelname van ons land aan de Parijsche Conventie van 1883. Het Departement van Justitie heeft er meê te maken omdat daaraan verbonden is het bureau van Industrieelen eigendom, dat elke Staat moet hebben die deelneemt aan de Conventie van 1883.

En het ontwerp van wet op de octrooien is uitgegaan van het Departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid, waarschijnlijk omdat uitvindingen worden beschouwd als te behooren tot het gebied der nijverheid.

Bij het regelen der zaak zijn dus drie Departementen min of meer betrokken en men weet, dat de gezamenlijke beweging van drie lichamen een der meest samengestelde vraagstukken is, waarvoor geen directe oplossing gegeven kan worden.

Vereenvoudiging is hier dus de weg tot vooruitgang en het middel om in beweging te komen en te blijven.

Het octrooi-vraagstuk is zeker een vraagstuk waarbij de nijverheid groot belang heeft, maar in het wezen der zaak is het een vraagstuk van recht. Daarom behoort dit onderwerp bij het Departement van Justitie, waaraan ook reeds het bureau voor industrieelen eigendom verbonden is.

De voorname oorzaak van oponthoud in het afdoen van zaken op regeeringsgebied ligt in negen van de tien gevallen in de samengestelde verhouding van verschillende regeeringslichamen. Nog onlangs is dit erkend in zake de landbouwbelangen en verbeterd door al de afdeelingen van verschillende departementen, die op landbouw betrekking hebben, te vereenigen tot een geheel bij het Ministerie van Binnenlandsche Zaken.

Ook op het gebied van het intellectueel eigendom is die weg aangewezen. Al wat daarmede in betrekking staat behoort tot het gebied van het Departement van Justitie, want alle vragen, die daarbij voorkomen zijn in het wezen der zaak rechtsvragen.

Een oetrooiwet is niet een maatregel ter bescherming der nijverheid, zooals bijv. de belastingwetgeving op de suikerfabricatie, want met protectie heeft het octrooivraagstuk niets te maken.

De patenten, brevetten en octrooien zijn instrumenten waardoor het recht op intellectueel eigendom verzekerd wordt. De regeling daarvan vormt een onderwerp van recht en van niets anders dan recht. Hoe eerder dit erkend wordt, des te beter zal het zijn, want alle nevenvragen vallen dan op eenmaal weg en de afdoening van de zaak komt in handen van één departement, namelijk dat van Justitie.

Handhaving van het intellectueel bezit op technisch en industrieel gebied door toekenning van eigendom aan den uitvinder en regeling van dit recht van eigendom in verband met het algemeen belang en de rechten van derden, dat is het vraagstuk, wanneer het in het ware licht wordt gesteld.

Gelukkig wordt dit thans meer en meer begrepen en beginnen de juristen in te zien, dat het onderwerp tot hun gebied behoort. Twee dissertatiën zijn daarover in de laatste jaren verschenen, waarvan de titels hieronder zijn opgegeven. (1)

In die van Mr. W. J. van Overbeek de Meyer luidt de slotzin aldus:

«Aan het einde van mijn proefschrift gekomen, waag ik het «de hoop uit te spreken, dat deze verhandeling iets moge bij«dragen tot het verkrijgen der invoering eener Nederlandsehe «Oetrooiwet, binnen een niet te lang tijdsverloop.»

In die van Mr. C. D. Salomonson leest men aan het slot:

«Onze eind-conclusie kan daarom niet twijfelachtig zijn. Laat «Nederland binnenkort het voorbeeld van het overige Europa «volgen, en door het geven eener Oetrooiwet herstellen, wat er «tot nu toe aan hare positie tegenover de Internationale Unie «tot bescherming van den industrieelen eigendom ontbreekt».

Delft, 26 Maart 1898. A. Huet.

VERGADERING

van

HET KONINKLIJK INSTITUUT

van

INGENIEUSS.

Op Dinsdag den 29sten Maartj.1. hield het Kon. Instituut van Ingenieurs onder presidium van den heer J. F. W. Conrad eene vergadering in het lokaal Diligentia te 's-Gravenhage.

Nadat de notulen der vorige vergadering waren goedgekeurd, deelde de President mede dat de heer Tideman, die sedert 1860 met groote

fl) «Eenige opmerkingen over Octrooien en Octrooiwetten». Tweede druk van een proefschrift door Mr. W. J. van Overbeek de Meyeb. Utrechtsche Stoomdrukkerij, 1891. , , ,

«Nederland's houding ten opzichte van het i"^'0"^,^0^ °P de octrooien van uitvindingen». Proefschrift door Carel Daniël Salomonson. 1898. Amsterdam, J. Clausen. aa w, acil„

In dit laatste proefschrift vindt men als bijlag n de Wet van 1817, die van 1869, waarbij die van 1817 werd afgeschaft, de Ontwerp-Wet van 1893 en de verschillende stukken betredende de overeenkomst van 20 Maart 1883 te Parijs gesloten tot bescherming van den industrieelen eigendom.