is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 21, 21-05-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

272

Welnu men bouwe de trawlers die onder Hollandsche vlag zullen varen, bovendien met Hollands geld worden betaald, dan ook op Hollandsche werven; en ik houd mij overtuigd dat de resultaten minstens beter kunnen zijn dan de somtijds in Engeland verkregene, terwijl men ook een steentje bijdraagt ter bevordering der nationale welvaart.

G. F. Haak.

IJmuiden, Mei '98.

KLEINE MEDEDEELINGEN.

De afstandsmeter van Quineurant.

Verschillende instrumenten maken het mogelijk den afstand van ver verwijderde of onbereikbare punten, zonder directe meting, te bepalen, hunne omslagtigheid en hoogen prijs, houden hun gebruik binnen beperkten kring. De afstandmeter van den Franschen kolonel Quineurant is daarentegen zeer eenvoudig en weinig grooter dan een medaillon en kan aan den horlogeketting worden gedragen. Zijn juistheid en nauwkeurigheid stellen den waarnemer in staat op een vlugge wijze den afstand van eenig punt te schatten.

Hij bestaat uit drie spiegels aangebracht tegen de binnenwanden van een klein metalen doosje. Tegen den eenen binnenwand is een enkele spiegel bevestigd, de «groote spiegel» geheeten, de beide andere «kleine spiegels» vormen onderling een onveranderlijken hoek. Een veer binnen aangebracht, houdt het instrument bij het gebruik, onder een constanten hoek open gespannen.

Deze afstandmeter berust op het principe der dubbele terugkaatsing, en maakt het mogelijk een gelijkbeenigen driehoek te beschrijven, waarvan hij de hoeken aan de basis aangeeft. De lengte van die basis gemeten op het terrein, vermenigvuldigd met den coëfficiënt van het instrument, zijnde 50, geeft de lengte van een der zijden van den driehoek, in casu den gevraagden afstand.

Het schatten van den afstand vereischt twee waarnemingen, ten einde de uiteinden van de te meten basis te kunnen bepalen. Men handelt beide keeren op dezelfde wijze, als volgt: houdt het instrument, geopend ter hoogte van en bij het oog, zoodat men slechts de helft van den spiegel ziet, die naar het lichaam gekeerd is, zoekt in den bovensten spiegel het beeld van het voorwerp tot 't welk de afstand gezocht wordt, dat men volkomen recht en te lood moet zien, (zonder acht te geven op den ondersten spiegel). Wanneer men het beeld in den spiegel gevonden heeft, wordt het naar den bovenkant gebracht, waarin in de rechterzijde een klein vierkant is uitgespaard om als vizier te dienen, en zoekt naar voren over het instrument ziende in de richting van het beeld, een merk, een boom of baak, dat zoover mogelijk verwijderd moet zijn. Nu zorgt men dat het beeld en de baak volkomen samen vallen, door zich naar links of rechts, naar achteren of naar voren te verplaatsen, zoo is dan het eerste punt verkregen, dat zorgvuldig wordt gemerkt. Daarna wordt de afstandmeter ten onderste boven gekeerd, zonder zich te verplaatsen, en wordt voor- of achteruit gegaan steeds in de richting van de baak, naar gelang het beeld van het doel zich links of rechts van de baak bevindt. Wanneer het beeld en de baak opnieuw samenvallen wordt stil gestaan, het tweede punt is gevonden. De afstand tusschen die twee punten vermenigvuldigd met den coëfficiënt van het instrument, geeft den gevraagden afstand.

Het is voor eene nauwkeurige waarneming van belang, dat beide malen het lichaam in een zelfde houding is. Men krijgt weer de juistheid door het instrument met beide handen vast te houden of door de hand tegen het gelaat te steunen.

De afstandmeter (télémètre) kost vijf francs en wordt postvrij toegezonden door den vervaardiger M. Paul Pouech, 314 Rue des Pyrénées, Paris. P. v. V.

Amerikaan&che klinkerbestrating.

In de «Gesundheits-Ingenieur» n°. 1 (15 Januari 1898) komt onderstaand bericht voor over Amerikaansche klinkerbestrating, overgenomen uit «Ztschr. f. Transportw. und Strassenbau» n°. 35 (1897), dat m. i. wel eenige aandacht verdient. Het luidt ca. aldus:.

De in 1870 in Amerika ingevoerde baksteenbestrating is sedert in talrijke steden toegepast geworden. Tot het daarstellen van de noodige steenen wordt hoofdzakelijk leiaarde (shale) gebruikt, die in lagen van 1 tot 25 M. in de kolenformatie voorkomt en een buitengewoon harde steensoort vormt. Aan de lucht verneurt deze tot schilfers. Van het gebruik van graniet is men in Amerika teruggekomen, omdat na 5 tot 6 jaren de hoeken daarvan zich afronden en het geraas daardoor bij het berijden veroorzaakt, zeer onaangenaam blijkt te zijn. Daar de afzonderlijke steenen van ongelijke grootte waren, vormden de wijde voegen verzamelplaatsen voor de paardenuitwerpselen, hetwelk van het hygiënisch standpunt beschouwd verkeerd is.

De later toegepaste asphaltbestrating is te glad en voor de paardenhoeven niet elastisch genoeg. Des zomers heet en stoffig, terwijl het in het onderhoud is gebleken duur te zijn.

Macadam is voor landwegen geschikt, doch eischt voortdurend herstellingen. Ook is deze bestrating bij droog weer stoffig, bij regen glibberig.

Bij de klinkerbestrating levert de verbinding van kiezelzuur, leem en ijzer een materiaal, harder dan staal en dat in den hoogsten graad weerstand biedt aan de paardenhoeven.

Een voordeel is bij de klinkerbestrating de meest gelijkmatige afslijting. Ook de absolute ondoordringbaarheid van het materiaal voor water, geeft het een bizonderen voorrang; evenzoo kan deze bestrating gemakkelijk hersteld worden, veroorzaakt de bereiding weinig geraas en is het minder glad dan graniet en asphalt.

Aan het plaveisel te Charleston (W. V.) is sedert 25 jaren geen herstelling noodig gebleken. In Columbia (O.) Gallsburg, Omoha en andere steden heeft men sedert 10 tot 15 jaren deze bestrating; in Chicago, Cincinati, Cleveland, St. Louis, New-Orleans, Monte en Montgomery (M.) is klinkerbestrating de hoofdbestrating.

De ondervindingen betreffende slijtage, drukweêrstand en ondoordringbaarheid voor water, hebben de bruikbaarheid van het materiaal geheel en al gewettigd.

Volgens de proeven omtrent afslijting kunnen de steenen minstens 25 jaar in de bestrating liggen.

Bij andere soorten baksteen werd een slijtageverlies van 8 tot

15 pCt. geconstateerd.

De baksteenen nemen gemiddeld 10 -15 pCt. van hun gewicht aan water op, terwijl Alabamasteenen 22 pCt. opslorpen.

Volgens het bovenstaande bericht zou dus, in de genoemde Amerikaansche steden, aan klinkerbestrating van uitmuntende kwaliteit den voorrang worden gegeven.

Hoewel in onze Hollandsche steden de klinkerbestrating ook nog steeds in eere wordt gehouden, is de toepassing toch ook van ander bestratingsmateriaal, waaronder asphalt, niet zonder beteekenis en zouden eenige meer uitvoerige vergelijkende gegevens van de verkregen resultaten omtrent hoedanigheid, duurzaamheid, aanleg- en onderhoudskosten van de verschillende bestratingsstelsels in Nederland in gebruik, m. i. van veel belang zijn.

Amsterdam, 19 Mei '98. F. v. E.

Uit het Verslag der Rijkscommissie voor graadmeting en waterpassing aangaande hare werkzaamheden ged. het jaar 1897.

Het diep betreurd verlies, dat de Commissie onderging door het plotseling overlijden van haar medelid dr. Ch. M. Schols, in den nacht van

16 op 17 Maart 1897, deed in hem uit haar midden verdwijnen een man, die sedert zijne benoeming, in 1881, al zijn tijd wijdde aan de taak der driehoeksmeting, die hij had op zich genomen, met een ernst, een ijver en een kunde, die weinig geëvenaard zullen worden bevonden en de meeste waardeering verdienden.

De werkzaamheden werden voortgezet onder de leiding van den oudste in dienst der bij de Commissie werkzame ingenieurs, den heer Hk. J. Heuvelink, die sedert 1885 den overledene ter zijde stond. Hij werd ter vervanging van dr. Schols bij Koninklijk besluit van 17 September 1897 benoemd tot hoogleeraar aan de Polytechnische school en bij Kon. besluit van 26 October 1897 tot lid der Rijkscommissie voor graadmeting en waterpassing.

Hem werd de hoofdleiding der primaire en secundaire driehoeksmeting opgedragen; met de waarneming van het secretariaat der Commissie, waarin, na het overlijden van den secretaris, door het lid G. van Diesen voorloopig was voorzien, werd de heer Heuvelink aanvankelijk niet belast.

Het geregeld doen voortgaan der werkzaamheden vorderde door het geleden verlies buitengewone bemoeiingen der Commissie, waartoe zij in den loop van het jaar tienmaal vergaderde; namelijk eens in Delft, eens te Leiden en de overige acht malen te 's-Gravenhage.

Aan het besluit van de vergadering te Lausanne, waarvan melding werd gemaakt in het verslag van het vorig jaar, om aan de Regeeringen mede te deelen dat de nieuwe conventie met 1 Januari 1897 van-kracht werd, haar eene opgave te doen toekomen van het bedrag der te betalen bijdragen, en haar uit te noodigen een lid aan te wijzen voor de nieuwe consultative permanente Commissie; volgens art. 2 der conventie, werd gevolg gegeven. Het geschiedde in een Rapport sur la gestion et les travaux scientifiques de la période décennale 1887—1896 et sur les adhésions a la nouvelle convention de 1895 adressé aux gouvernements de 1'association géodésique internationale en commun par 1'ancienne commission permanente et le nouveau bureau de 1'association, uitgebracht in April 1897.

Op voordracht der Rijkscommissie werd haar voorzitter dr. H. G. van de Sande Bakhuyzen als gedelegeerde voor Nederland in de nieuwe permanente Commissie aangewezen.

In het laatst van het jaar 1897, in November, werd een rapport uitgebracht door het nieuwe bestuur van de Vereeniging, getiteld : Rapport administratif et financier présenté a la fin de 1897 aux gouvernements de 1'association géodésique internationale.

Dit stuk, waarin melding werd gemaakt van de toetreding der Regeeringen, die nog waren achtergebleven met hare verklaringen, en waaruit bleek dat de toetreding tot een twintigtal was geklommen en dat slechts de republiek Argentinië zich had teruggetrokken, had hoofdzakelijk ten doel de Regeeringen, die met de storting der bijdragen nog ten achteren waren, tot aanzuivering aan te sporen. Tevens werden daarin de namen genoemd van de gedelegeerden, die door de Regeermgen bereids waren aangewezen om in de nieuwe permanente Commissie op te treden.