Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 15 —

frouw Fürste, veracht U ons stadje ook al?" nam zij de gelegenheid waar om wel indirekt, maar toch met een voor haar ongewone warmte partij te kiezen voor den burger en den arbeider. Zij wilde Banner toonen, hoe ver zij de zelf veroverde positie van dien eenvoudigen man boven zijn geërfde en onverdiende voorrechten stelde; maar als ze aanmoediging en dankbaarheid van hem wien ze verdedigde, verwachtte, vergiste ze zich zeer. De vrees voor oppositie, de eerbied voor geld en naam-aristocratie waren ingeroest bij den vroegeren pakhuisknecht.

En zijn kleinburgerlijke tegenwerpingen tegen haar overdreven lof, zijn onderdanige ootmoedigheid irriteerde en zette haar nog meer aan. Zij ergerde er zich over, dat hij niet begreep, dat ze hem steunen wou en ze sprak nog heftiger, terwijl haar wangen gloeiden van spijt over den loop, dien het gesprek nam.

Toen ontmoetten haar oogen die van Banner. Voor zoover op zijn koel, voornaam gezicht iets te lezen was, scheen het alsof haar woorden hem amuseerden. De spottende uitdrukking van zijn oogen werd sterker, ja — hij vond haar eenvoudig vermakelijk.

Toen zweeg zij plotseling. Ze zag, dat zij zich belachelijk gemaakt had, en dat joeg haar 't bloed nog sterker naar de wangen en de tranen in de oogen. Een wilde smart greep haar aan, een hevige spijt, waarvan zij da reden niet duidelijk kon nagaan. Haar gloeiende wangen werden doodsbleek en haar lippen trilden. Een pijnlijke pauze volgde.

»Ja, we spraken straks over de belasting" zei de koopman toen kalm, »we moeten daar nog even op terugkomen".

»Ja, laat ons dat doen," stemde Banner toe. —

Zij voelde zijn antwoord als een beleediging. Zij trok haar horloge te voorschijn en stond op. »Ik heb geen tijd om langer te blijven, — dag Mevrouw!" —

»Dag juffrouw Fürste, groet uw moeder voor mij."

sik dank U." —

Zij boog stijf voor de heeren. De edelman sprong op als een stalen veer, boog nog dieper en eerbiediger dan vroeger en zette zijn gesprek met den koopman voort.

Toen zij thuis kwam zocht ze de eenzaamheid. Ze ging in den tuin, naar dezelfde plaats van waar ze dien morgen had uitgezien over de zonnige velden. Maar nu scheen haar dat panorama niet mooi meer, en toen zij zich de gedachten herinnerde, waarmee zij hét dien morgen gezien had, gloeiden haar wangen op nieuw.

»Ik. . zottin — kinderachtig wicht!"

Ze was in een hevige gemoedsbeweging. Ze wist niet over wie ze 't meest verontwaardigd was, over zich zelf of over hem, of het verdriet was over haar eigen

teleurstelling' of over het gebrek aan trots en waardigheid, waarvan ze getuige geweest was, ergernis over zijn hooghartigheid of over haar eigen dwaze heftigheid voor dingen en menschen, die't verdedigen niet waard waren. Maar een bitterheid, een vertwijfeling sterker dan ooit kwam over haar. Ze kon niet schreien, maar ze had zich wel op den grond willen werpen en het uitschreeuwen.

Ze drukte de handen tegen de lippen en beet er in tot haar de tranen van pijn in de oogen kwamen en als ze aan zijn sportenden glimlach dacht, mompelde ze: »o, hoe haat ik... hoe haat ik!"

Maar of ze zichzelve, hem, of al de andren haatte, dat wist ze niet.

Een maand, later zat mevrouw Hinding met Judith in 't fraaie lindenprieël achter 't huis in den tuin. 't Was wel wat laat in het jaar om nog buiten te zitten, maar de zomer zond zijn afscheidsgroeten met een paar heel warme dagen. Judith, die zich zelden met een handwerkje bezig hield, had een boek in de hand, maar las niet. De gevulde handjes van haar moeder waren met een baakwerkje bezig, maar legden vaak het werk neer om de shawl vaster om de schouders te trekken. Judiths kleine broertje speelde en stoeide om het prieel.

»Ik kan me niet begrijpen", zei Judith, »dat vrije zelfstandige menschen zich zoover kunnen vernederen, dat ze kruipen voor eenige aristocratie. Dat staat me zoo tegen dat kruipen voor je superieuren en uit de hoogte doen tegen je ondergeschikten."

»Je bent precies je vader" riep haar moeder uit met een liefdevollen, wat sentimenteel en blik. »Je houding', de bewegingen van je hoofd, je opvattingen zijn de zijnen. Maar vergeet niet, Judith, dat niemand meer bereid was dan hij zijn superieuren te gehoorzamen."

»Ja, als militair. Maar hij kroop nooit. Nooit! dat weet ik wel zeker. Als ik tegenover mijn meerdere sta, tegenover iemand, die verdiend geëerd te worden dan zal ik me buigen, en graag ook! Maar menschen te zien kruipen voor een man, die niets gedaan heeft dan zich zelf • bederven, zijn plicht verzuimen, zijn jeugd verspelen, en in heel zijn leven niets anders heeft gewonnen dan zijn geblaseerdheid en arrogance, dat ergert me zóó, dat ik 't bijna niet aanzien kan. Als ik er aan denk hoe ze Restrup behandelden, zoolang hij geld had en hoe ze hem nu den rug toekeeren om het gouden kalf te aanbidden, dan kan ik er wanhopig over worden, dat ik onder die menschen meegeteld word en hun vernedering meè moet dragen. Meent U niet, dat Banner bungekruip ziet en ze er om veracht?"

Sluiten