Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 21 —

eersten den beste zou huwen, die haar een onafhankelijke positie kon aanbieden!"

»Ik vrees, dat ze 't wel zal moeten; maar ik hield nu van haar en zou haar op de handen dragen."

»'t Zou haar toch grieven op die manier te moeten trouwen."

»Ach neen, als ze maar trouwt."

Banner lachte luid en scherp.

»Kent u haar positie?"

»Ja, dat denk ik wel. En als ik zoo rijk was als jij, en niet zoo diep in de schulden zat. . ."

sik trouw nooit!" viel Banner hem snel in de rede.

»Nu ja, zoo meen ik het ook niet," mompelde Restrup.

Nu zwegen ze beiden. Banner lag achterover in zijn stoel, in gedachten verdiept. Bestrup had zich voorover gebogen en den kop van zijn hond tusschen de handen genomen. Hij streek de losse gerimpelde halshuid van het dier over de ooren en snuit en trok ze weer terug en bromde nu en dan: »goeie ouwe hond, goeie ouwe hond!"

En de vlammen in den haard bewogen zich op en neer: ze verlichtten het fijne, scherpe gezicht van den een en zijn vroeg gedund haar, en de moede, onverschillige oogen; ze schenen over het groote hoofd met de ruwe trekken van den ander, over zijn golvende leeuwenmanen, zijn rossigen baard en de doffe, treurige oogen. Ze vonkelden in de diamanten, die Restrups vingers versierden, in 't glimmende ijzer van den haard, in de verstandige oogen van den hond.

De gloed van 't vuur speelde door de stoffige, roodbruine beerenhuid, over den wand en 't portret van Restrups barschen vader, vonkelde in de wapens en de ornamenten in 't rond, in den grooten spiegel met zilvren lijst, glom in den gulden wijn in de kristallen kan, kroop in de hoekjes en gaatjes, achter stoelen en tafels weg en kwam weer te voorschijn, vlamde hoog op en doofde weer om een oogenblik alles in duisternis te hullen, en dan begon het zelfde spelletje weer van voren af aan. Buiten werd de sneeuw tegen de ruiten gezweept en huilde de wind om het oude gebouw. Binnen gleden de uren langzaam voort, door het duidelijk hoorbare tikken der bronzen pendule aangegeven. Twee innig vermoeide mannen zaten er als in betoovering gebonden door die rust, die duisternis, dat fantastisch flikkerende vuur, zonder lust of moed het moeielijke leven weer aan te pakken, waarmee zij reeds lang meenden afgerekend te hebben.

In dezen winter brachten de zaken den landeigenaar dikwijls bij den advokaat. Hinding scheen bijna onmisbaar voor zijn voorname cliënt. Maar Banner was niet recht tevreden als hij bij deze bezoeken de stiefdochter van den advokaat niet ontmoette. Hij gaf er niet zooveel om met haar te praten want ze antwoordde

Bijlage van «Woord en Beeld" 1893. Ail 3.

meestal koud en kortaf: maar hij vond 't aangenaam haar te zien, bij haar te zijn en haar te bestudeeren.

"Want het gesprek met Bestrup had zijn belangstelling voor haar verhoogd en hij verbaasde er zich over, dat hij haar niet dadelijk opgemerkt had, zoo opvallend vond hij nu haar schoonheid en haar heele persoonlijkheid. Hij had het vermogen iets te kunnen zien zonder dat z'n aandacht klaarblijkelijk er op gevestigd was; en terwijl hij rustig zijn gesprek met Hinding voortzette en zijn gedachten heel ergens anders schenen te zijn, onderzocht zijn blik iederen trek in haar gezicht en telkens werd hij er meer verwonderd over, dat er in dezen achterhoek iets zoo eigenaardigs en schoons te vinden was. Als dan de zaken waren afgehandeld 't weer en de vooruitzichten van den landbouwer besproken, richtte Banner gewoonlijk een paar beleefde woorden tot de dames. Meestal antwoordde mevrouw Hinding, maar als Judith's fijn gevoel ook maar de kleinste nuance van gewichtigheid of arrogance in zijn manier van doen ontdekte nam ook zij somtijds het woord en dan vloog er dikwijls een fijne scherpe terechtwijzing van haar even glimlachende lippen. En zij kon er zeker van zijn dat die trof. Wel toonde hij dat nooit met woorden of blikken maar hij had dikwijls moeite zich te bedwingen als zijn heersch-, zucht in hem opvlamde en hij begeerde dan ten koste van wat dan ook, macht over zijn schoone tegenstandster te krijgen, haar te buigen, te verootmoedigen. En als hij naar huis reed na in zulk een woordenstrijd het kortste eind te hebben getrokken kon hij zich meer en meer ergeren over zijne nederlaag en hij sloeg de sporen in de zijden van zijn onschuldig paard, gebruikte de zweep en rukte aan den teugel, tot het dier steigerde: hij wilde ten minste één hebben, wien hij zijn macht kon toonen en dien hij tot gehoorzaamheid kon dwingen. In zijn groot eenzaam huis kon hij dan rondloopen verbitterd op zich zelf, omdat hij zich zooveel met haar bezig hield; maar wat baatte dat? Zij had zijn gedachte geboeid en zij konden zich niet meer van hem los rukken. Hij was als een kind dat nu eenmaal ergens zin in gekregen heeft en als het tegenstand ontmoet, er nog heftiger naar verlangd. Hij nam zijn toevlucht tot zijn boeken maar zijn gedachten slopen tusschen de regels door en hij betrapte er zich op veel bladzijden gelezen te hebben zonder er een woord van te hebben begrepen. Hij liet het boek zinken en keek ontevreden naar de deur.

Als die nu eens open ging en zij op den drempel stond, hoe haastig zou hij dan de boeken niet wegschuiven! Er waren oogenblikken dat hij de armen uitstrekte naar haar tengere gestalte die in zijn verbeelding voor hem stond. Als zij nu eens hier was, hoe zou zij de leegte in zijn leven aanvullen en zijn gedachten bezighouden:

Sluiten