Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 42 —

De dokter zweeg verschrikt en het was doodstil in de kamer.

Toen zei Banner, nu met volkomen rustige stem: »U neemt mij niet kwalijk, dat ik in zulk een ernstig geval een' consult met een anderen dokter vraag? Ik ben bang, dat u zich vergist in Erik's ziekte. Het moet diphtheritis zijn en ik wensch een jonger dokter te consulteeren. U neemt het niet kwalijk?"

«Natuurlijk niet," antwoordde de dokter, «alleen verlang ik, dat u het oordeel van mijn jongeren collega vraagt, vóór hij mijn diagnose hoort."

Banner schelde en riep den binnentredenden bediende toe: «Bijd naar de stad en haal den anderen dokter, hij moet opstaan en dadelijk komen. Neem de beste paarden en zorg, dat je binnen twee uur terug bent. Gauw!"

"Vijf minuten later hoorde men een wagen het hek uit rijden.

«Nu zendt Banner zijn wagen naar den dokter," zei de vrouw van den smid tegen haar man. «Al onze kinderen zijn ziek en niemand ziet naar hen om, sinds de kleine Banner ziek werd."

«En misschien worden ze toch wel beter," antwoordde de smid kalm. «Alles gaat toch naar Gods wil."

Banner zat weer bij 't bed van Erik tegenover zijn vrouw. De dokter liep heen en weer door de kamer en zag dikwijls op zijn horloge. Dit was nu de slaapkamer waarvan Judith eenmaal dacht, dat de slaap moest wegvluchten en onrustige nachten vol sombere gedachten achter laten. Nu was bet zulk een nacht. De lamp verlichtte maar half de groote donkere kamer met de zware gordijnen en de groote meubels, die hun lange schaduwen tegen den wand en den zolder wierpen. Toen had zij verlangd naar wat de toekomst haar werkelijk gebracht had — maar hoe vreeslijk was dat geworden, zoo heel anders dan ze zich had voorgesteld. Nauwlijks zes jaar lagen tusschen dien dag en nu. 't Scheen haar of er een menschenleeftijd over haar hoofd gegaan was. En hier in deze kamer zou nu haar laatste hoop vernietigd worden, haar laatste vreugde weggenomen. Banner zat daar stijf en rustig, maar wat hij leed in de uren wachtens, ging zijn kracht te boven en vernietigde zijn weerstandsvermogen. Hij wist niet of hij den tijd zou willen verlengen of verkorten. De andere dokter zou het oordeel van leven of dood over hem uitspreken; maar 't scheen hem toe, alsof het hem al een' troost wezen zou, wanneer de ziekte voor diphteritis verklaard, werd.

Eindelijk rolde een wagen de plaats op en joeg de nacht op uit haar doodsche stilte. De honden blaften, deuren werden open gerukt en weer dicht geworpen en de jongste dokter van 't stadje trad binnen. Pas

opgestaan was hij en haastig gekleed. De knecht had hem maar nauwelijks tijd gelaten om de noodigste kleedingstukken aan te doen. Toen was hij ingestapt en zij hadden voortgereden in den vredigen helderen herfstnacht, alsof de pest hun op de hielen zat.

Erik lag bewusteloos en onbewegelijk in een gloeiende koorts.

«Is dat keelziekte ?" fluisterde Banner.

De dokter wierp een snellen blik op zijn ouderen collega; nam een. licht en bewoog het een paar malen heen en weer voor de open oogen van den knaap. «Neen, dat is het niet."

»Wat dan?"

«Voor zoover ik oordeelen kan, hersenontsteking."

Banner balde de vuisten zóó, dat de nagels in zijn handpalmen drongen.

«Vergist u zich niet? Ik weet zeker, dat Erik geen slag gekregen heeft, en geen aandoening heeft gehad, die tot hersenontsteking aanleiding geven' kon."

Toen richtte de jonge dokter zich op zag zijn tegenstander met een vernietigenden blik aan en zei uit de hoogte op onderwijzenden toon: «Het is immers niet uitgemaakt, dat ziekte altijd door toestanden of gebeurtenissen in het leven van den patiënt zelf veroorzaakt wordt. Juist een ziekte als deze, heeft dikwijls haar wortel in vroegere geslachten, en hoewel ik het niet kan nagaan, is het toch zeer wel mogelijk, dat juist hier erfelijkheid in het spel is."

Banner beduidde hem met een handbeweging, dat hij zwijgen moest. «Ik smeek u," zei hij met een stem. bijna zonder klank. »Zeg mij met een paar woorden; is er iets voor het kind te doen ?"

De oude dokter schudde het hoofd; zijn collega haalde de schouders op en mompelde, dat hij te laat gehaald, was.

»Is uw bijzijn dan overbodig, heeren?" vroeg Banner, steeds op denzelfden kouden, matten toon. Een nieuw schouderophalen.

«Dan moeten er twee wagens worden ingespannen of. . . . 't is waar, de heeren zijn het zoo eens, dat ze misschien aan één genoeg hebben." Banner had groote lust ze als honden de plaats af te laten jagen.

Erik bewoog zich. Banner boog zich over het bed. De doktoren bleven staan. Het kind opende de oogen en scheen zijn vader met bewustheid aan te zien.

«De heeren vergisten zich tóch! Mijn jongen is gered!" riep Banner uit. »De crisis is voorbij!"

De doktoren gingen naar het bed. Erik's oogen waren weer gesloten.

«Ja," zeide de oude dokter zacht, «de crisis is voorbij. Het kind is dood."

Banner legde de hand op de horst van zijn zoon. Het hart sloeg niet meer.

Toen wendde hij zich kalm om, verliet het vertrek,

Sluiten