Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 51 —

)>Nu zal ik het zeggen... nu... . neen nu," maar zij deed het niet.

«Hindert de sigaar je werkelijk niet?"

«Heusch niet, integendeel." Zij had zoo weinigwoorden tot haar dienst op 't oogenblik, dat zij niet anders kon dan de uitgesprokene nog eens herhalen.

Een nieuw besluit om te spreken verlamde haar tong en dreigde haar hart te doen springen, zoodra zij het beproefde uit te voeren. Zij moest spreken, eer het telaat was! — Ach het was al te laat: aan het doffe rollen van de wielen hoorde zij, dat zij de plaats opreden. De honden blaften, zij zag verlichte vensters, zij waren thuis. Zij zag een licht door de kamers gaan, het was de knecht, die kwam aanloopen om hen te ontvangen. Maar Banner had het portier al open gedaan, was uit het rijtuig gesprongen en reikte zijn vrouw de hand. Zij beefde van de kou toen de gure nachtlucht baar tegemoet kwam. Toen zij haar voet op den grond wilde zetten, voelde zij dat haar sleep tusschen het portier aan de overkant geklemd zat. Maar het was te laat, haar voet gleed uit, zij verloor haar evenwicht en viel voorover tegen haar man aan. Hij wierp zijn sigaar weg en ving haar juist bijtijds in zijn armen op. Daar stonden zij, die houding maakte hen beide even verlegen, hij kon haar niet loslaten en zij kon zich niet oprichten. Een oogenblik kwam de gedachte in haar op hem nu in te fluisteren, wat zij hem vroeger had willen zeggen, maar neen, dat zou aanstellerij schijnen, het zou zijn alsof ze »zich in zijn armen had willen werpen."

En zij zweeg.

Hij had haar intusschen weer in het rijtuig getild . Daar maakte zij spoedig haar sleep los en het geheel had zoo kort geduurd, dat zij, toen de knecht met de lamp kwam zonder nieuwe hindernissen uitstapte. Banner gaf den knecht een haastig bevel om voor hun goed te zorgen en volgde Judith in de vestibule. Daar boog hij voor haar en wenschte haar goeden nacht.

Toen gingen zij ieder naar hun kamer.

Zij kon niet slapen, de gedachte, dat zij hem zoo nabij geweest was, zonder hem toch nader te zijn gekomen, ontroerde haar hevig. Zelfs die vluchtige en onwillekeurig aanraking toen hij haar in zijn armen had opgevangen, had haar zoo wonderlijk gelukkig gemaakt.

Wat was er toch met haar gebeurd ? Zij gaf zich geen tijd het te onderzoeken, wanl haar gedachten kwamen altijd weer tot die zonderlinge omhelzing terug en beletten elke poging om tot klaarheid te

komen. Zij wist alleen, dat zij zich gelukkig voelde, dat de hoop op een nieuw leven in haar opbloeide, dat zij zich zoo zacht, zoo blij, zoo jong voelde.

Zoo daalde eindelijk de slaap op haar neer en zij sliep in met haar handen onder het achterover gebogen hoofd en een glimlach op de half geopende lippen.

Zij had nog maar kort en licht geslapen, toen zij wakker werd met een schok, alsof zij door een plotseling sterk geluid gewekt was.

Alles om haar heen was donker, zoo donker, dat zij zelfs na eenige oogenblikken rondstaren nog niets kon onderscheiden, en dan was het zoo stil, dat de stilte haar drukte als een zware last, dien zij niet kon afwerpen. Zij ging overeind zitten in haar bed en luisterde. Zij hoorde geen enkele van die duizend verschillende, fluitende, zuchtende, steunende geluidjes, die gewoonlijk 's nachts menschen verschrikken, die niet slapen kunnen; die er op liggen te wachten en toch schrikken als zij komen.

Het was haar alsof zij begraven was en zij voelde onwillekeurig met de hand om zich heen, om zich te verzekeren dat zij niet in een kist lag.

Toen in die diepe stilte hoorde zij plotseling een dof zuchten of een zwak steunen. Het was geen angst voor spoken, die haar het koude zweet op het. voorhoofd deed komen, maar een gedachte die haar trof snel als een bliksemstraal. Het geluid kwam uit de slaapkamer van haar man, die vlak naast de bare was, en zij .herinnerde zich op eens hoe hij gesproken had over de mogelijkheid van onverwacht, plotseling te sterven. Dat sterke geluid, dal, haar gewekt had, haar pijnlijk verlangen om te spreken eer het te laat was. . . . «hij had zich doodgeschoten, dat was zijn doodsnik."

Als zij er zelf bij geweest was, kon zij het niet met grooter, verschrikkelijker zekerheid gevoeld hebben. Op het oogenblik, dat hij haar in zijn armen hield, had hij in stilte afscheid van haar genomen. Het wemelde in haar hoofd van bewijzen, zij vermocht ze niet te bestrijden of tot zwijgen te brengen. Hij was zoo stil en ernstig geweest in het gezelschap van avond en behalve dat, was het geen bewijs genoeg, dat zij hoop ging voelen? Nog nooit immers was een van haar verwachtingen vervuld, vernietigd waren ze, de een na de ander. Duizend kleinigheden, die zij meende, dat haar hadden moeten waarschuwen, kwamen haar voor den geest: voorteekens en voorgevoelens: zij waren in het huis geweest, waar Bestrup zich voor zes jaar van het leven beroofd had; Banner was twee dagen geleden naar de stad geweest om met zijn advocaat te spreken; hij had. den vorigen daghet palissanderhouten kistje voor den dag gehaald, waarin hij zijn pistolen bewaarde. Al deze gedachten

Sluiten