Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 79 —

vacantie een gastvrij tehuis voor jonge studenten in de medicijnen en de letteren uit de hoofdstad.

Moesten de naburige predikanten het hoofd, niet schudden over deze opvoeding van jonge meisjes?

En de gevolgen bleven niet uit. Onder deze verschillende invloeden hadden zij zich een levensbeschouwing gevormd, die nog heel wat verder ging dan hun vaders humaniteitsleer. Echter spraken zij hier nooit over, want nadat hun vriendin, de gouvernante, haar had laten vermoeden welken naam zij verdienden, vermeden zij met een zekere schuwheid hun standpunt tegenover haar vader, de wereld en zich zelf duidelijk te maken. Maar de naburige predikanten voelden deze schuwheid niet en noemden ze eenvoudig »de kettersche dochters van den ongeloovigen proost."

De moeder had geen invloed op haar gehad; zij was een vrouw volgens de eischen van dien tijd; stil en huiselijk, de kleur van haar omgeving aannemend in plaats van er haar stempel op te drukken. En zoo was dan het huis van den proost in den tijd. dat dit verhaal begint gezellig, vroolijk en gastvrij; — alleen ontbrak er het »eene noodige."

Op den zelfden avond, dat de twee jonge meisjes den eersten glimp van het voorjaar welkom geheeten hadden, zaten de oude proost en zijn vrouw thuis op haar terugkomst te wachten.

De proost, was uit zijn humeur, hij schoof knorrig zijn hooge fluweel en kalot heen en weer op zijn witte hoofd; op zijn fraai gezicht was zijn gewone schalksche lach niet te vinden; zijn vonkelende bruine oogen, die hem zooveel toehoorderessen verschaft hadden, toen hij als jong predikant in de mode was in de hoofdstad, keken heel ontevreden de wereld in.

»Dan komen die jongens hier vlak voor mijn. neus vergadering houden en zij willen er mij bij hebben, maar ik wil met hun eeuwige vergaderingen niet meedoen; — Gods woord moet in eere gehouden worden, maar men moet het niet ijdellijk gebruiken door het alledaagsche kost te maken. Zes dagen werken, de zevende Gods woord, en daarmee uit. Het lijkt immers nergens op hier de domme boeren het hoofd op hol te brengen met dat eindeloos gepreek."

De deur ging open en Elizabeth trad binnen met blozende wangen, een glimlach om den mond. en lentegeur in haar kleeren en heur haar.

»Nu juffrouw straatslijpster, kom je eindelijk, thuis? Het werd ook tijd," bromde de proost, maar op een heel anderen toon.

»Ja vadertje, maar wij moesten immers ook afscheid nemen van het bosch en de beek en al dat moois."

»Afscheid? een hartroerend afscheid voor een reis van drie weken?" spotte de predikant met steeds vriendelijker gezicht.

»Ja, is drie weken dan geen lange tijd? Dat hebt u immers zelf gezegd, toen u Astrid en mij toestemming gaf voor de reis."

»,Ta voor mij, omdat ik mijn plaaggeesten zoolang missen zal."

»En ik moet. nog wel een vreeselijke operatie ondergaan. Gunt u mij geen zusterlijke hulp in den nood."

»Terwijl je de amandelen uit de keel genomen worden? Een gevaarlijke operatie? Hè Ellis?"

»Neen, lieve oude! maar het is zoo gezellig om samen in de stad te zijn."

»En jelui logeeren niet eens in hetzelfde huis."

»Neen, maar dicht bij elkaar. Tante woont op de Vrouwenplaats en Edele Wilders, waar Astrid logeeren, zal op Nörrebro."

De proost was den heelen avond in zijn beste humeur en gaf zijn dochters veel, maar helaas wereldschen raad mee op reis.

Het voorjaar had zich kort geleden in de hoofdstad aan laten kondigen, maar liet zich nog wachten. Het weer was buiig, de straten vuil en de stad verwaaid. Men voelde de lentelucht niet, die de wind meebracht. In plaats van ontdooide beken, had men hier nog natte steenen, in plaats van leeuwerikkengezang, het geroep van koopvrouwen.

Op een stormachtigen Aprilavond zaten zes jongelieden bijeen in een kamer op de vijfde verdieping, in een der straten dicht bij de universiteit.

De kamer was vol tabaksrook, waarin zich de geur van een dampende punchbowl mengde.

De gastheer gaf, of probeerde te geven een van de goede ouderwetsche studentenfeesten. Zelf zat hij aan het eind van de tafel in een chambre-cloak met groote bloemen, waarvan de ingewanden op bedenkelijke wijze uit allerlei scheuren en gaten kwamen kijken. Hij placht te zeggen: »Dit geeft mij een zekere gelijkenis met Staerkodder na den strijd met Agantyr." Hij rookte uit een lange pijp en wipte alleronvoorzichtigst met zijn stoel, terwijl hij, met een genoegelijken glimlach om zijn bijna kinderlijken mond en in zijn blauwe oogen, rondkeek in den kring van zijn vrienden. Hij tenminste had aanleg een van de goede oude studenten te worden, die kon schertsen zonder te kwetsen, spreken zonder te twisten, in geestdrift geraken door een kleinigheid en verliefd worden door nog minder, een van hen, die overal plezier in hebben en alle politiek en partijgeest verbannen. En al waren de vrienden, die dien avond bij hem waren, ook niet in het bezit van al die goede eigenschappen, toch

Sluiten